Nota Energiebeleid. Deel 3. Brandstofinzet centrales
In de nota ligt de nadruk op brandstofinzet van elektriciteitscentrales; op
de vraag dus of en in hoeverre bij de toekomstige elektriciteitsopwekking gebruik
gemaakt kan worden van alternatieve energiebronnen, fossiele energiebronnen
(olie, gas en kolen) of van kernenergie. Het is in wezen laatstgenoemd
aspect dat aanleiding vormde voor de opzet van een maatschappelijke
discussie in ons land.
In deze nota staan daarbij twee vragen centraal:
- Is kernenergie als middel voor de opwekking van elektriciteit in ons land
aanvaardbaar?
- Is kernenergie wenselijk in afweging met onder meer energiepolitieke,
milieuhygiënische en financieel-economische aspecten?
Met deze twee hoofdvragen als uitgangspunt Is in hoofdstuk 2 allereerst
uitvoerig ingegaan op een aantal kenmerken van onze elektriciteitshuishouding.
Daarbij zijn niet alleen de vraag- en aanbodontwikkelingen uit het verleden
bestudeerd; op basis van de gegevenheden in de delen 1 en 2 van de
nota Energiebeleid zijn mogelijke ontwikkelingen in de toekomst aan de orde
gesteld. Dit is niet alleen gebeurd aan dehandvan de in genoemde delen
gepubliceerde scenario’s. Ook zijn een aantal rekenkundige benaderingen
uitgevoerd met betrekking tot specifieke veronderstellingen over de toekomstige
vraag naar stroom.
Zo is een berekening uitgevoerd waarbij tot 2000 geen nieuwe centrales
aan het huidige elektriciteitsproduktiepark in de openbare sector worden
toegevoegd. Hierdoor is de mogelijke stijging van de stroomvraag te dekken
door de openbare sector, uiterst bescheiden. Wel is daarbij uitgegaan van
een uitbreiding van warmte/krachtkoppeling.
Verder is een berekening uitgevoerd onder de veronderstelling dat de huidige
vraag naar elektriciteit te dekken door de openbare sector niet meer
toeneemt. Wel zou daarbij een extra vraag tot stand kunnen komen in de
particulíere sector door de opzet van met name warmte/krachteenheden. De
verschillende ontwikkelingen van de vraag naar elektriciteit kan men vervolgens
afzetten tegen de aanbodkant. Men kan daarbij rekening houden met
het aanbod uit alternatieve bronnen. Houdt men dan rekening met het huidige
produktiepark en het verloop in de tijd daarvan dan ontstaat per geval
een beeld van de omvang van het benodigde, in de openbare sector op te
stellen vermogen. Van dit vermogen dient dan telkens de brandstofinzet nader
ingevuld te worden.
De hoofdstukken 3 t/m 7 behandelen de vraag of de risico’s van kernener--
gie voor ons land aanvaardbaar zijn. Immers, enkel bij een positief antwoord
op die vraag zou kernenergie een bijdrage kunnen leveren aan een verzekerde
energievoorziening.
Deze risico’s kan men globaal indelen in vijf hoofdthema’s namelijk:
- radioactiviteit, milieu en volksgezondheid;
- reactorveiligheid;
- radioactief afval;
- non-proliferatie: het tegengaan van de verdere verspreiding van kernwapens;
- overige neveneffecten van de kernenergie vooral die van maatschappelijke
en beveiligingstechnische aard.
Daarbij is niet beoogd om per onderwerp een zo compleet en gedetailleerd
mogelijk beeld van alle van belang zijnde technísche en wetenschappelijke
kennis te verschaffen. Gepoogd is telkens de essentie weer te geven
van de verschillende hoofdthema’s. Dit is in een vorm gebeurd, die een zo
breed mogelijk publiek in staat kan stellen te beoordelen of de in het geding
zijnde risico’s aanvaardbaar zijn of niet. Deze beschouwingen zijn er daarom
op gericht bestaande kennis ten goede te laten komen aan de maatschappelijke
en politieke oordeelsvorming.
In hoofdstukken 8 t/m 10 komt de vraag aan de orde of en in hoeverre de
verdere toepassing van kernenergie in Nederland zodanig voordelen kan
hebben dat de uitbreiding van ons kernenergievermogen wenselijk is.
In hoofdstuk 8 vindt in de eerste plaats een toetsing plaats uit milieuhygiënisch
oogpunt van een uitbreiding van het gebruikvan kernenergie in vergelijking
met een extra inzet van kolen dat wil zeggen méér koleninzet dan nu
in de Kolennota als een minimumbeleid is vastgelegd.
In hoofdstuk 9 komt vervolgens een energiepolitieke afweging aan de orde.
Voortbordurend op de in de delen 1 en 2 van de Nota Energiebeleid geschetste
mondiale en nationale energiesituatie staat in dit hoofdstuk de
vraag centraal of en in hoeverre het gebruikvan kernenergie de huidige onzekerheden
op energiegebied voor ons land kan verkleinen.
Hoofdstuk 10 bevat een aantal berekeningen over de economische effecten
van het gebruik van kernenergie, vergeleken met kolen. Deze, in eerste
instantie kostprijs/technische, benadering is ~~vertaald~~ in enkele macro-economische
cijfers. Daarbij is het effect nagegaan op de toekomstige ontwikkeling
van de betalingsbalans, van de werkgelegenheid, etc.
In hoofdstuk 11 komenonder meer het beheer van de kernenergiecyclus
in ons land ter sprake en de rol van de centrale overheid daarbij. Ook noodzakelijke
wijzigingen in de vergunningsverlening komen hier ter sprake.
In hoofdstuk 12 worden conclusies getrokken over in de voorgaande
hoofdstukken behandelde aspecten van de vraag of het aanvaardbaar en
wenselijk is dat het in 1974 genomen principebesluit om in ons land meer
kerncentrales te bouwen, naar de visie van de Regering uitgevoerd kan worden
of niet.
Bij deze beschouwingen wordt ook betrokken de kwestie of voor eventuele
uitbreiding van het kernenergievermogen geschikte vestigingsplaatsen
in ons land beschikbaar zijn. Dit laatste gebeurt aan de hand van de bevindingen
in hoofdstuk 13, waarin deze vestigingsplaatskeuze uitgebreid aan
de orde komt. Dit hoofdstuk 13 zal overigens de aanvullende procedure voor
een Planologische Kernbeslissing doorlopen
Organisatie
Ministerie van Economische Zaken EZ, Den Haag (Netherlands)
Bibliografische informatie
ISBN 90-12-03157-5
459 p.
Datum
Jul 1980
Uitgever
Sdu Uitgevers, Den Haag (Netherlands)
Document digitaal beschikbaar
PDF-bestand (83 MB)
Terug naar overzicht
Beleidsdocumenten