Energiebesparingsnota

Twee jaar na de Derde Energienota is er aanleiding de Nederlandse beleidsinzet voor energie-besparing te heroverwegen. De nu voorliggende nota vormt daartoe de aanzet. Directe aanleiding daarvoor zijn de uitkomsten van de klimaatconferentie in Kyoto waar de deelnemende landen een resultaatsverplichting (na ratificatie) op zich hebben genomen om de uitstoot van broeikasgassen fors te verminderen. In de nota Milieu en Economie en het NMP3 (Nationaal Milieubeleidsplan 3) is hier al eerder bij stilgestaan. Op een later tijdstip zal de Tweede Kamer via de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid worden geïnformeerd hoe Nederland denkt te kunnen voldoen aan de verdragsverplichtingen. Vooruitlopend hierop is in deze nota verkend welke mogelijkheden resteren binnen bepaalde kostengrenzen om op het gebruik van fossiele energie te besparen. Het is zaak de toename van het energiegebruik, die het gevolg zou zijn van economische groei, zoveel als mogelijk is te verminderen. Zoals in de Nota Milieu en Economie is aangegeven streeft het kabinet naar een absolute ontkoppeling van milieudruk en economische groei. In een dergelijke duurzame economische ontwikkeling past een vermindering van de inzet van fossiele brandstoffen. Besparingen op het gebruik van fossiele energie zijn niet eenvoudig in een tijdperk van lage olieprijzen en hoge economische groei, een groei die momenteel belangrijk hoger is dan waarvan in de Derde Energienota is uitgegaan. Voor de jaren 1997 en 1998 komt de economische groei uit op ruim 3% per jaar. Voor de jaren 1999-2002 hanteert het CPB in de Economische Verkenning voor de komende kabinetsperiode een behoedzame variant met een groei van 2% per jaar en een voorspoedige variant met een groei van 31/4 %. Voor de langere termijn (tot 2020) heeft het CPB een drietal scenario’s ontwikkeld met jaarlijkse groeipercentages van 11/2 %, 2 3/4 % en 31/4 % per jaar. Behalve bij het scenario met de laagste groei zal het energieverbruik in 2010 ongeveer éénvijfde hoger zijn dan in 1995, ondanks de al zichtbare en nog te verwachten resultaten van het in eerdere besparingsnota’s (Nota Energiebesparing van 14 juni 1990, Vervolgnota Energiebesparing van 21 december 1993, Derde Energienota van 20 december 1995) vastgelegde beleid. De Derde Energienota mikte op stabilisatie van het fossiele energieverbruik en stabilisatie van de CO2-emissie in 2020. Hogere economische groei en de opgave die het Kyoto-protocol met zich meebrengt, nopen tot verkenning van een mogelijke intensivering van het besparingsbeleid. Anders dan in de Derde Energienota, is in deze Energiebesparingsnota 2010 als richtjaar genomen. In de CPB-scenario’s met een hoge economische groei zijn de effecten van de veronderstelde economische dynamiek en het al in gang gezette besparingsbeleid zodanig dat een jaarlijkse efficiency-verbetering wordt geraamd van 1,6 à 1,7 % per jaar, waarmee het in de Derde Energienota geformuleerde beleidsdoel ruimschoots zou worden gehaald. Zoals in het NMP3 is gemeld, agendeert het kabinet in deze nota denkbare opties waarmee het mogelijk is dit besparingstempo in het European Coordination (EC)- en Global Competition (GC)-scenario te verhogen naar ca. 2 % per jaar in de periode 1998 - 2010. Deze opties zouden een extra investering vergen van alle gebruikssectoren tezamen van ƒ 3 à 4 mrd. per jaar gedurende een groot aantal jaren en naar schatting in ieder geval een extra overheidsbijdrage ten behoeve van de directe kosten van ƒ 600 mln. per jaar ten opzichte van het niveau 1998.Ter dekking van dit bedrag zou gebruik gemaakt kunnen worden van de inkomsten uit de VPB-opbrengsten uit de energiesector, zoals in de Derde Energienota voorzien, en dit bedrag zou betrokken kunnen worden bij de invulling van de positieve prikkel voor energiebesparing en duurzame energie uit de opbrengst van een verhoging van de energiebelastingen met ƒ 3,4 mrd., zoals opgenomen in de Nota Belastingen 21e eeuw en het NMP3. Het kabinet meent dat met de voorliggende opties naar huidig inzicht binnen de bovengenoemde kaders het uiterste is aangegeven van wat energiebesparing kan bijdragen aan het naderbij brengen van de ‘Kyoto’-doelstelling. Deze bijdrage vanuit energiebesparing wordt geraamd op 10 à 11 Mton CO2-reductie in 2010. Ondanks deze opties zullen het energieverbruik en daarmee de CO2-emissies ten gevolge van dit energieverbruik blijven groeien. Dat betekent dat ook op andere terreinen extra inspanningen geleverd zullen moeten worden. In het kader van de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid zal het volgende Kabinet definitief de balans opmaken van de bijdrage die verschillende reductievelden zullen moeten leveren aan het realiseren van de vereiste reductie van de emissie van broeikasgassen. Het karakter van deze nota is verkennend. Of dit beleidspakket ook zal worden geïmplementeerd, zal een nadere kabinetsbeslissing vergen in samenhang met andere besluitvorming die relevant is voor energiebesparing. Dit kabinet neemt derhalve geen besluit over additionele financiële budgetten respectievelijk de verdeling hiervan, maar geeft wel een pakket aan mogelijke energie-efficiencymaatregelen. Als onderdeel van de invulling van de tweede ƒ 750 mln. klimaatgelden heeft het kabinet echter wel besloten om een eenmalig bedrag van ƒ 155 mln. in te zetten voor additionele energiebesparingsmaatregelen.

Organisatie
Ministerie van Economische Zaken EZ, Den Haag (Netherlands)

Bibliografische informatie
52 p.

Datum
Apr 1998

Uitgever
EZ, Den Haag (Netherlands)

Document digitaal beschikbaar
PDF-bestand (341 kB)


Terug naar overzicht Beleidsdocumenten