Uitvoeringsnota Klimaatbeleid. Deel 1

De nota begint in hoofdstuk 2 met een beschrijving van de context waarin het klimaatbeleid voor de komende jaren gevoerd moet worden. Hierbij wordt aandacht besteed aan de huidige stand van zaken met betrekking tot zowel het internationale als het nationale klimaatbeleid. Hoofdstuk 2 geeft tevens in een historische terugblik aan welke invloed het beleid de afgelopen jaren heeft gehad op de emissies in Nederland. Hieruit blijkt dat het beleid duidelijk resultaat heeft maar onvoldoende is om de gestelde doelen te bereiken. Hoofdstuk 3 presenteert een basispakket met maatregelen die in de periode tot 2008–2012 door de doelgroepen uitgevoerd moeten worden om de binnenlandse emissiereductie tijdig te kunnen realiseren. Het betreft voornamelijk maatregelen gericht op CO2-reductie door energiebesparing in alle belangrijke sectoren, de inzet van duurzame energie, maatregelen bij kolencentrales en maatregelen gericht op de reductie van emissies van de niet-CO2-broeikasgassen. Voorts wordt aangegeven welke beleidsinstrumenten en middelen de overheid zal inzetten om ervoor te zorgen dat de doelgroepen deze maatregelen ook daadwerkelijk uitvoeren. Om in de toekomst sneller dan in het verleden te kunnen inspelen op tegenvallende ontwikkelingen wordt in hoofdstuk 3 naast het basispakket ook een pakket met reserve-maatregelen geschetst. Deze maatregelen moeten vanaf nu zodanig worden voorbereid dat zij het vereiste effect kunnen hebben in de periode 2008–2012 als de werkelijke ontwikkeling van emissies afwijkt van wat nodig is om het binnenlandse reductieaandeel te bereiken. Invoering is echter geen automatisme. Een kabinetsbesluit tot werkelijke invoering van reserve-maatregelen wordt gekoppeld aan ijkmomenten in 2002 en 2005, die ook in hoofdstuk 3 worden beschreven. Het reservepakket bestaat uit verhoging van de regulerende energiebelasting en van de accijnzen op motorbrandstoffen, N2O-reductie in de chemische industrie en ondergrondse opslag van CO2 bij enkele grote industriële bronnen. De voortgang van de uitvoering van het beleid zal worden bewaakt via een systeem van emissie- en beleidsmonitoring. De beoogde voortgang van de beleidsvoering wordt in actiepunten vormgegeven. De beoordeling ervan vindt plaats op de ijkmomenten. Ook zal dan worden bekeken of externe omstandigheden zijn gewijzigd, welke ontwikkelingen in het internationale beleid hebben plaatsgevonden en of er nieuwe mogelijkheden voor emissiereductie zijn ontstaan. In een vooruitblik naar de langere termijn schetst hoofdstuk 4 ontwikkelingen die van invloed zijn op de omgeving waarin klimaatbeleid in de komende decennia zal moeten worden gevoerd. Aandachtspunten zijn de emissiereducties die uiteindelijk nodig zijn om het doel van het Klimaatverdrag te verwezenlijken, de toekomstige rol van de flexibele instrumenten uit het Kyoto-protocol en de na 2012 nog resterende reductiemogelijkheden bij de overige broeikasgassen. Ook wordt stilgestaan bij de nieuwste inzichten omtrent de voorraden van fossiele brandstoffen en de daarmee samenhangende ontwikkeling van de energieprijzen. Mogelijkheden om in Nederland tot vergaande CO2-reducties te komen worden kort beschreven. De stappen die de komende tijd zullen worden gezet worden in een vernieuwingspakket met voorbereidende maatregelen beschreven

Organisatie
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu VROM, Den Haag (Netherlands)

Bibliografische informatie
ISSN 0921-7371
81 p.

Datum
8 Jun 1999

Uitgever
Sdu Uitgevers, Den Haag (Netherlands)

Document digitaal beschikbaar
PDF-bestand (338 kB)


Terug naar overzicht Beleidsdocumenten