Vergunningaanvraag kerncentrale Dodewaard |
Berichten uit 1994 |
Op grond van een verplichte evaluatie, ieder decennium, van de nucleaire veiligheid en de stralenbescherming besluit GKN naast de al aangebrachte en gedoogde wijzigingen tot een extra aantal wijzigingen. Deze liggen bijvoorbeeld op het vlak van nood- en nakoeling van de reactorkern, noodstroomvoorziening, zuivering van het huishoudelijk afvalwater, aanpassing van ventilatiesystemen en extra beveiliging van de reactorkamer. In juli 1994 wordt een hernieuwde vergunningaanvraag ingediend bij de overheid, begeleid met een veiligheidsrapport, een probabilistische veiligheidsanalyse en een MER.
In het MER wordt met behulp van risicoanalyses gekeken naar de bestaande en toekomstige situatie van het milieu in en rond de centrale en wordt een vergelijking gemaakt van de milieugevolgen van de voorgenomen wijzigingen en van een aantal alternatieven. GKN concludeert op basis van het MER onder andere dat de veiligheid door de gedoogde wijzigingen is verbeterd, dat de centrale in de huidige en toekomstige situatie voldoet aan de normen voor het groepsrisico en de normen van het IAEA, en dat er geen reële alternatieven zijn die resulteren in lagere radio-actieve emissies of lagere veiligheidsrisico's voor de omgeving.
Na de bekendmaking van de aanvraag door GKN laten verschillende landelijke en regionale milieu-organisaties in een gezamenlijke reactie aan de minister van EZ weten dat naar hun mening het MER voor de Dodewaard-centrale ernstig tekort schiet. Belangrijke omissie is het feit dat het sluiten van de centrale niet als serieus alternatief is bestudeerd. In de risicoanalyse worden bovendien de gevolgen en gezondheidseffecten van een ernstig ongeval onvoldoende meegenomen. Verder biedt de MER geen oplossing voor het radioactief afval en is naar de mening van de milieuorganisaties de informatie over de opslag van bestraalde splijtstofstaven onvoldoende.
GKN verwacht dat bij het tijdig verkrijgen van de vergunningen, eind februari 1995, de wijzigingen bij de centrale de gevolgen en gezondheidseffecten van een ernstig ongeval onvoldoende meegenomen. Verder biedt de MER geen oplossing voor het radioactief afval en is naar de mening van de milieuorganisaties de informatie over de opslag van bestraalde splijtstofstaven onvoldoende.
GKN verwacht dat bij het tijdig verkrijgen van de vergunningen, eind
februari 1995, de wijzigingen bij de centrale in 1997 gereed kunnen
zijn.