Gezamenlijke visie op ontwikkeling van de elektriciteitsvoorziening

Berichten uit
1994
Op 9 september verschijnt een rapport met de titel: Gezamenlijke visie van EnergieNed, Overlegorgaan Productiesector (OPS) en Sep op de ontwikkeling van de elektriciteitsvoorziening in Nederland. Het betreft een advies van de elektriciteitsproductie- en distributiesector aan de minister van EZ. De 'Gezamenlijke visie' bouwt voort op de stukken 'Gezamenlijkheid in eigenheid' en 'Horizon 2000' van de sector, toen nog inclusief Gasunie, die in 1993 werden gepresenteerd. Twee aspecten staan centraal. Op korte termijn dient de ontwikkeling van decentraal en centraal vermogen beter afgestemd te worden, omdat de toename van warmte/kracht-vermogen tot overcapaciteit dreigt te leiden. Op langere termijn speelt de vraag hoe de sector moet reageren op de toekomstige liberalisering en internationalisering van de energiesector.

In de gezamenlijke visie komen de partijen tot één uitgangspunt voor de elektriciteitsvoorziening: 'deze moet zich richten op de levering van de benodigde elektriciteit tegen zo laag mogelijke kosten voor de klant, daarbij rekening houdend met maatschappelijke randvoorwaarden, zoals betrouwbaarheid van de voorziening, brandstoffenbeleid en de beïnvloeding van het milieu'.

Het bureau McKinsey ondersteunde de sector in het denkproces. In haar rapport 'het verzekeren van een passende elektriciteitsvoorziening voor de toekomst' constateert McKinsey dat de Nederlandse elektriciteitsprijzen relatief laag zijn. Dit ligt naast lage brandstofkosten ook aan de efficiënte bedrijfsvoering, optimalisering van de opwekking en de benutte schaalvoordelen in de distributie. Het bureau geeft niettemin een aantal mogelijkheden voor verbetering in de productie en distributie. Echter, ook wordt gewezen op het risico van verslechtering van het huidige kostenniveau bij de realisering hiervan. De sector gaat in haar visie uit van het 'samengesteld marktmodel', omdat zij verwacht dat de na te streven integratie van enerzijds meer kostenprikkels en marktwerking en anderzijds het behoud en de uitbreiding van schaalvoordelen met dit model bereikt kan worden. Voor de lange termijn wordt een achttal hoofdlijnen geformuleerd:

  • Geleidelijk meer vrijheid voor de verschillende groepen klanten om te kiezen tussen de verschillende aanbieders van elektriciteit;
  • Toegang tot de elektriciteitsnetten voor alle leveranciers en afnemers;
  • Een scheiding van de leverings- en netbeheersfunctie in de distributie;
  • Toestaan van directe contractrelaties tussen partijen in de sector, dit om concurrentiemogelijkheden maximaal te benutten en partijen voldoende prikkels te geven om optimaal te presteren;
  • Instelling van een gezamenlijke stroomhandelaar, om zo schaalvoordelen te kunnen behouden en te kunnen uitbreiden; activiteiten van de stroomhandelaar bieden voordelen aan de betrokken partijen en de klanten;
  • Gezamenlijke uitvoering van taken als inkoop van brandstoffen, im- en export elektriciteit en economische optimalisatie van de inzet van productie-eenheden;
  • Samenvoeging van functies die elkaar versterken zoals transport en technische regeling, en scheiding van dit soort functies van andere functies, zoals productie en levering, welke in concurrentie worden uitgeoefend;
  • Verschuiving van de rol van de rijksoverheid van regulerend naar meer toezichthoudend en voorwaardenscheppend, ten aanzien van milieubeleid, brandstoffenbeleid, fysieke infrastructuur en de bescherming van 'gebonden' afnemers.

De weg naar een nieuw stelsel voor de elektriciteitsvoorziening, waarin deze hoofdlijnen zijn verwerkt, moet naar de mening van de sector voorzichtig, zorgvuldig en stapsgewijs worden bewandeld. De sector acht een wijziging van de Elektriciteitswet 1989, die in 1995 wordt geëvalueerd, niet nodig. Wel zal een eerste stap gezet worden richting een nieuw stelsel, met de gewijzigde tariefstructuur per 1 januari 1995. Na 1995 zal de sector de visie verder uitwerken, waarbij de uitkomsten van de herziening van de Elektriciteitswet worden meegenomen.

In een eerste reactie op de gemeenschappelijke visie van de sector stellen de Vereniging Krachtwerktuigen en SIGE het te betreuren dat alleen binnen de sector overleg is gevoerd over de organisatie van de elektriciteitssector, betrokkenheid van de industrie was op zijn plaats geweest. Het uitgangspunt van de sector en de meeste hoofdlijnen voor de lange termijn worden door de twee organisaties onderschreven. Echter, met de introductie van een gezamenlijke stroomhandelaar hebben Vereniging Krachtwerktuigen en SIGE moeite, naar hun mening is er geen behoefte aan een geïnstitutionaliseerde stroomhandelaar. Verder is het voor de industrie onverteerbaar dat de hoofdlijnen uit de visie voor de korte termijn resulteren in een ontmoedigingsbeleid van warmte/kracht. In 1995 zal een gezamenlijke uitgebreidere notitie verschijnen.


Terug naar thema Elektriciteitsproductie 1994