Elektriciteitstarieven en terugleververgoedingen 1995

Berichten uit
1994
Na overleg tussen energiedistributiebedrijven en elektriciteitsproducenten werd per 1 januari 1994 de structuur van het Landelijk Basis Tarief (LBT) aangepast. Dit LBT is het tarief waartegen de Sep na kostenpooling teruglevert aan de huidige vier centrale producenten van stroom. De aanpassing heeft verschillende redenen. Zo gaf de oude structuur te weinig inzicht in de kostenstructuur van elektriciteitsproductie in Sep-verband. En verder was het gezien het diepe nachtdal gewenst een verschuiving te bewerkstelligen van het elektriciteitsverbruik van de dag naar de nacht. In het nieuwe LBT per 1994 wordt het grootste deel van de kosten, de vermogenscomponent, nog verrekend via de vier jaarlijkse pieken; een distributiebedrijf betaalt 237 gulden voor elke kW die tijdens deze pieken wordt afgenomen. Daarnaast geldt een opslagcomponent van gemiddeld 1,15 cent per kWh. De brandstofkosten worden verrekend per kWh, voor dag en nacht geldt een apart tarief. Voor het koppelnet gaat per 1994 een aparte vergoeding van kracht, er geldt een prijs van f 18,20 per gecontracteerde kW. Een beperkt deel van de kosten wordt dus niet langer per kW maar per kWh verrekend, dit om de aandacht van distributiebedrijven te verleggen van pieken in het verbruik naar het dagplateau, de periode waar het verbruik het hoogst is.

Mede door de perikelen rond het warmte/kracht-vermogen doen Sep, EnergieNed en het overlegorgaan van de Productiesector OPS het voorstel tot nieuwe aanpassingen van het LBT voor 1995. Daartoe vindt uitvoerig overleg plaats met de verschillende partijen, waaronder ook de industriële grootverbruikers van energie. Het tarief voor de vaste productiekosten zal worden verhoogd, de structuur van dit tarief zal eveneens worden aangepast. Vanaf 1995 is het LBT opgebouwd uit vijf componenten:

  • Productie: f 220 per kW, berekend op basis van 4 verrekenmomenten per jaar, zo wordt het grootste deel van de vaste productiekosten gedekt;
  • Opslag: gemiddeld 1,25 cent per kWh voor resterende deel vaste kosten;
  • Transport: f 20,80 per kW, berekend naar gecontracteerd vermogen, deze post is ter dekking van de kosten van het koppelnet van de Sep;
  • OOM-gelden: f 18 per kW, berekend naar historisch verbruik;
  • Restcomponent: f 6 per kW, berekend naar historisch verbruik.

De OOM-gelden staan voor de kosten van Onderzoek, Ontwikkeling en Milieu-maatregelen. Het gaat om een bedrag van 188 miljoen gulden per jaar. Naast deze vijf componenten betaalt een afnemer een bedrag voor de benodigde brandstof, het dagtarief hiervoor wordt 5,0 cent per kWh, het nachttarief wordt 4,7 cent per kWh.

Nieuw is dat per januari 1995 alle afname van centraal productievermogen door distributiebedrijven contractueel geregeld is. Wordt minder afgenomen, dan moet toch voor de niet-afgenomen elektriciteit betaald worden. Wel is voorzien in een oplopende korting. Voor de kW die bovenop de afgesproken hoeveelheid elektriciteit worden afgenomen geldt een hoger tarief.

Jaarlijks dient EnergieNed conform de Elektriciteitswet te onderhandelen met organisaties van zelfopwekkers over de Standaardregeling Terugleveringen. Deze vergoeding moet gebaseerd zijn op de gemiddeld door de distributiebedrijven bespaarde kosten. Door de aanpassing van het LBT voor 1995 zouden ook de terugleververgoedingen moeten worden aangepast. Inhoud geven aan het begrip bespaarde kosten is gezien de situatie van vermogensoverschot steeds moeilijker. Bovendien is er sprake van een vicieuze cirkel. Doordat de terugleververgoeding is gerelateerd aan het LBT, betekent een verhoging van het LBT een verhoogde terugleververgoeding. Dit leidt ertoe dat meer elektriciteit wordt teruggeleverd, waardoor de kosten van het centrale vermogen toenemen, waardoor het LBT weer toeneemt. EnergieNed en de zelfopwekkers van elektriciteit (vooral industrie) komen uiteindelijk tot overeenstemming: voor 1995 zal dezelfde regeling gelden als in 1994. Na een studie over de uitspaarbare kosten van elektriciteit zal in 1996 een nieuwe toenemen, waardoor het LBT weer toeneemt. EnergieNed en de zelfopwekkers van elektriciteit (vooral industrie) komen uiteindelijk tot overeenstemming: voor 1995 zal dezelfde regeling gelden als in 1994. Na een studie over de uitspaarbare kosten van elektriciteit zal in 1996 een nieuwe regeling gaan gelden voor meerdere jaren. De minister keurt de elektriciteitstarieven en het LBT in december goed.

De vier productiebedrijven mogen op het LBT een regionale toeslag leggen om hun deel van de vaste kosten, dat nog niet wordt verrekend door Sep te dekken. Deze regionale toeslag op het LBT zal in 1995 niet hoger mogen zijn dan f 13,75 per kW, in 1994 was dit nog f 12,50. De regionale toeslag en het LBT vormen samen het Regionaal BasisTarief, het RBT. Distributiebedrijven kopen stroom in bij de productiebedrijven tegen dit RBT. Vervolgens stelt EnergieNed de maximum eindverbruikerstarieven vast, op basis van het RBT en de kosten van distributie en aflevering. Een voorstel ingediend door EnergieNed ten aanzien van deze maximumtarieven voor eindgebruikers van elektriciteit wordt door de minister van EZ op 30 november goedgekeurd.


Terug naar thema Elektriciteitsproductie 1994