Elektriciteitstarieven en terugleververgoedingen 1995 |
Berichten uit 1994 |
Mede door de perikelen rond het warmte/kracht-vermogen doen Sep, EnergieNed en het overlegorgaan van de Productiesector OPS het voorstel tot nieuwe aanpassingen van het LBT voor 1995. Daartoe vindt uitvoerig overleg plaats met de verschillende partijen, waaronder ook de industriële grootverbruikers van energie. Het tarief voor de vaste productiekosten zal worden verhoogd, de structuur van dit tarief zal eveneens worden aangepast. Vanaf 1995 is het LBT opgebouwd uit vijf componenten:
De OOM-gelden staan voor de kosten van Onderzoek, Ontwikkeling en Milieu-maatregelen. Het gaat om een bedrag van 188 miljoen gulden per jaar. Naast deze vijf componenten betaalt een afnemer een bedrag voor de benodigde brandstof, het dagtarief hiervoor wordt 5,0 cent per kWh, het nachttarief wordt 4,7 cent per kWh.
Nieuw is dat per januari 1995 alle afname van centraal productievermogen door distributiebedrijven contractueel geregeld is. Wordt minder afgenomen, dan moet toch voor de niet-afgenomen elektriciteit betaald worden. Wel is voorzien in een oplopende korting. Voor de kW die bovenop de afgesproken hoeveelheid elektriciteit worden afgenomen geldt een hoger tarief.
Jaarlijks dient EnergieNed conform de Elektriciteitswet te onderhandelen met organisaties van zelfopwekkers over de Standaardregeling Terugleveringen. Deze vergoeding moet gebaseerd zijn op de gemiddeld door de distributiebedrijven bespaarde kosten. Door de aanpassing van het LBT voor 1995 zouden ook de terugleververgoedingen moeten worden aangepast. Inhoud geven aan het begrip bespaarde kosten is gezien de situatie van vermogensoverschot steeds moeilijker. Bovendien is er sprake van een vicieuze cirkel. Doordat de terugleververgoeding is gerelateerd aan het LBT, betekent een verhoging van het LBT een verhoogde terugleververgoeding. Dit leidt ertoe dat meer elektriciteit wordt teruggeleverd, waardoor de kosten van het centrale vermogen toenemen, waardoor het LBT weer toeneemt. EnergieNed en de zelfopwekkers van elektriciteit (vooral industrie) komen uiteindelijk tot overeenstemming: voor 1995 zal dezelfde regeling gelden als in 1994. Na een studie over de uitspaarbare kosten van elektriciteit zal in 1996 een nieuwe toenemen, waardoor het LBT weer toeneemt. EnergieNed en de zelfopwekkers van elektriciteit (vooral industrie) komen uiteindelijk tot overeenstemming: voor 1995 zal dezelfde regeling gelden als in 1994. Na een studie over de uitspaarbare kosten van elektriciteit zal in 1996 een nieuwe regeling gaan gelden voor meerdere jaren. De minister keurt de elektriciteitstarieven en het LBT in december goed.
De vier productiebedrijven mogen op het LBT een regionale toeslag leggen
om hun deel van de vaste kosten, dat nog niet wordt verrekend door Sep
te dekken. Deze regionale toeslag op het LBT zal in 1995 niet hoger
mogen zijn dan f 13,75 per kW, in 1994 was dit nog f
12,50. De regionale toeslag en het LBT vormen samen het Regionaal
BasisTarief, het RBT. Distributiebedrijven kopen stroom in bij de productiebedrijven
tegen dit RBT. Vervolgens stelt EnergieNed de maximum
eindverbruikerstarieven vast, op basis van het RBT en de kosten van
distributie en aflevering. Een voorstel ingediend door EnergieNed ten
aanzien van deze maximumtarieven voor eindgebruikers van elektriciteit
wordt door de minister van EZ op 30 november goedgekeurd.