Maatregelenpakket voor de sector olie- en gaswinning

Berichten uit
1994
Het aantal boringen op het Nederlandse deel van het Continentaal Plat is de afgelopen vijf jaar flink gedaald. In 1993 werden op zee nog 31 boringen verricht, in 1994 slechts 22. Vooral het aantal productieboringen, bedoeld om ontdekte velden te ontginnen, nam sterk af. De verminderde activiteit op het Continentaal Plat heeft twee belangrijke redenen. De lage gas- en olieprijzen zetten de rentabiliteit van gas- en olie-exploratie onder druk en daarnaast neemt het aantal aantrekkelijke kleinere velden af. Daarom wordt al sinds 1993 door EZ overleg gevoerd met NOGEPA, de Nederlandse Olie en Gas Exploratie en Productie Associatie, over maatregelen ter verbetering van de economische situatie in de mijnbouw.

Gasunie versoepelt per 1 januari 1994 de inkoopvoorwaarden voor nog niet-aangekochte velden. Door de aanpassing zal de sector de investeringen in een kortere periode kunnen terugverdienen. Daarnaast wordt een voorstel gedaan tot verhoging van de loadfactor, gewonnen gas kan dan meer verspreid over het jaar worden geleverd aan Gasunie. Voor nieuwe winningsactiviteiten betekent dit dat minder geïnvesteerd hoeft te worden, het capaciteitsprobleem wordt echter doorgeschoven naar Gasunie. Gasunie wil daarom de opbrengstprijs voor die velden die hebben geopteerd voor een verhoogde loadfactor met een halve cent per 3 te verlagen, ter vergoeding van de kosten van de nieuwe regeling. Na een brief van NOGEPA en vragen in de Tweede Kamer maakt minister Andriessen duidelijk achter dit laatste voorstel van Gasunie te staan.

Vóór de bespreking van de EZ-begroting stuurt de vereniging voor de Nederlandse toeleveranciers in de olie en gasindustrie IRO namens driehonderd leden een brief naar de Tweede Kamer. Aangegeven wordt dat de stagnatie van investeringen in opsporing en winning van aardgas veroorzaakt wordt door de (vermeende) starre regelgeving rond de winning van aardgas in de Noordzee. Kort gesteld vraagt IRO het kabinet snel een besluit te nemen gericht op de ontwikkeling van marginale velden. Ook NOGEPA benadrukt dat herziening van het beleid gewenst is.

EZ maakt eind oktober een pakket van maatregelen bekend ter bevordering van de exploratie van nieuwe velden. Bij een olieprijs lager dan 23 dollar per barrel zal een vrijstelling van de cijns voor nieuw te verlenen opsporingsvergunningen gelden voor de productie tot 800.000 m3 olie of 800 miljoen m3 aardgas per jaar. Omdat het vergunningen voor kleinere velden betreft (vaak 1 tot 4 miljard m3) en bedrijven de productie per jaar goed kunnen regelen, betekent deze regeling voor de meeste bedrijven dat niet of nauwelijks meer cijns betaald hoeft te worden. Ten tweede zal voor nieuw te verlenen vergunningen de staatsdeelneming terug gebracht worden van 50 naar 40%. Hiertoe is een aanpassing van het Koninklijk Besluit noodzakelijk. Beide regelingen zullen op 12 maart 1995 van kracht worden. Per 1 januari 1995 zal Energie op 12 maart 1995 van kracht worden. Per 1 januari 1995 zal Energie Beheer Nederland verder mogen deelnemen in de exploratie van zowel bestaande als nieuwe winningsvergunningen. Afhankelijk van het met de opsporingsvergunning meegekregen Mijnwetregime zal de deelname van EBN 40 of 50% bedragen. De regeling betekent een vermindering van de risico's voor de sector gas- en oliewinning. Tot slot zal in de loop van 1995 een vorm van vrije afschrijving gaan gelden voor nieuwe investeringen voor de sector off-shore.


Terug naar thema Gas- en oliewinning 1994