Regeerakkoord, rijksbegroting en de bezuinigingen op het energiebeleid |
Berichten uit 1994 |
Deze hoofdlijnen zijn ook de basis geworden van het kabinetsbeleid. Verder wordt gesproken van het herijken van de overheidsverantwoordelijkheden en eigen verantwoordelijkheden, van een versterking van de kennisinfrastructuur en van het feit dat Nederland zich zal moeten richten op productie en dienstverlening met hoge toegevoegde waarde. Al in het ontwerpregeerakkoord wordt de volgende zinsnede opgenomen: 'door een sterke beperking van subsidies bij EZ en LNV voor onder meer energie en technologie en door een besparing op de financiële bijdragen voor landinrichting kan in 1998 0,4 miljard gulden minder uitgaven worden gerealiseerd'. Ook word gesteld dat de kennisinfrastructuur beter toegankelijk dient te worden voor het Midden- en Kleinbedrijf. Bij de presentatie van de Miljoenennota blijkt dat op het energiebeleid een totaal van 300 miljoen gulden in 1997 bespaard zal moeten worden. Door de korte periode tot aan Prinsjesdag is deze substantiële ombuiging bij het energiebeleid nog niet nader gespecificeerd in de Rijksbegroting van EZ.
Op 11 oktober stuurt de nieuwe minister van EZ, de heer Wijers, een beleidsbrief en een Nota van wijziging naar de Tweede Kamer waarin de ombuigingen nader worden ingevuld. Duidelijk wordt dat de bezuinigingen niet volledig bij het energiebeleid zullen worden gelegd, omdat dan de hoofddoelstellingen van het energiebeleid in gedrang kunnen komen. Gekozen is voor de volgende verdeling van de ombuigingen:
|
|
|
| Energiebeleid | 180 miljoen gulden |
| Industrie en Diensten | 55 miljoen gulden |
| MKB, toerisme marktwerking en regionaal beleid | 55 miljoen gulden |
| Buitenlandse Economische Betrekkingen | 10 miljoen gulden |
|
|
|
Hier wordt alleen ingegaan op de gevolgen voor het energiebeleid. De korting op het budget voor energiebeleid loopt gestaag op van 50 miljoen in 1995 tot 180 miljoen gulden in 1997. Dat betekent een korting van circa 45% op het budget voor 1997, zoals dat in de Vervolgnota Energiebesparing nog werd vastgelegd. Gehanteerde criteria bij de uiteindelijk gemaakte keuzes zijn de bijdrage die een activiteit levert aan energiebesparing, het industriële belang op korte en lange termijn en de vraag of er een alternatief is voor de nu gebruikte instrumenten. Met de gekozen invulling van de ombuigingen wil EZ de eigen hoofddoelstellingen zoveel mogelijk in stand houden. Op de volgende pagina worden de financiële ingrepen bij de verschillende onderdelen van het energiebeleid weergegeven.
Voor de eerste categorie betekent de bezuiniging een structurele vermindering van het budget voor nucleair onderzoek bij ECN van 7 miljoen per jaar. Voor TNO geldt een korting op de doelsubsidie voor energieonderzoek van 2,3 miljoen per jaar. De bezuinigingen in categorie 2 houden in dat het onderzoek naar aardwarmte en hergebruik van afvalstoffen wordt beëindigd, dat het kolenonderzoeksprogramma wordt gereduceerd en dat het klimaatonderzoek van ECN niet meer gefinancierd zal worden. Verder worden activiteiten rond de brandstofceltechnologie verminderd tot een niveau waarbij de huidige kennispositie en kennisinfrastructuur kan worden gehandhaafd. Voor de industrie blijft de prioriteit liggen bij de meerjarenafspraken. De bezuinigingen betreffen vooral de subsidiefaciliteit voor warmte/kracht, waarvan binnen de energiesector al verwacht werd dat deze zou vervallen. De regeling voor de stimulering van nieuwe besparingstechnieken, BSET, vervalt per 1 januari 1996. De ombuigingen in categorie 4 raken met name Novem-programma's, die de ontwikkeling en demonstratie van energiebesparingstechnieken in deze sectoren bevorderen. Tenslotte vervallen de investeringssubsidies voor wind, zon en waterkracht per 1996. Alleen de subsidie voor zonneboilers zal tot 1997 blijven, in het kader van de meerjarenafspraak.
|
|
|
| 1. Energieonderzoeksinsituten ECN/TNO | 9,3 miljoen gulden |
| 2. Energie-onderzoek en ontwikkeling Novem | 17 miljoen gulden |
| 3. Industrie, regelingen warmte/kracht en BSET | 75 miljoen gulden |
| 4. Gebouwde omgeving, agrarische sector en verkeer | 30 miljoen gulden |
| 5. Marktintroductie duurzame energie | 47 miljoen gulden |
|
|
|
In de brief wordt erkend dat de forse ombuiging gevolgen kan hebben voor het bereiken van de energiebesparingsdoelstellingen. Voor de periode 1995-2000 wordt het verlies aan besparingstempo geschat op 0,3% per jaar. Daarnaast zal de introductie van duurzame energie vertraging kunnen oplopen. Verwacht wordt echter dat door het relatief ontzien van onderzoek en ontwikkeling het fundament voor voortgaande efficiëntie-verbetering en penetratie van duurzame energie intact blijft. Een aantal compenserende maatregelen wordt nog wel genoemd. Ten eerste zal deelnemers aan meerjarenafspraken nadrukkelijk worden gevraagd om de overeengekomen inspanningen te handhaven. De begrotingsposten die een directe bijdrage leveren aan de totstandkoming en uitvoering van deze MJA's zijn daartoe al ontzien. Ten tweede wordt het voornemen genoemd om bij de invoering van de energieheffing per 1 januari 1996 de met duurzame bronnen opgewekte energie uit te sluiten van deze heffing. Het vervallen van de budgetten voor duurzame energie kan door deze vrijstelling enigszins worden gecompenseerd. Voorts vindt overleg plaats met EnergieNed over de activiteiten van de distributiesector, omdat de toegezegde bedragen in het kader van de Set van Afspraken aanzienlijk zullen dalen. Tenslotte zal in overleg met het ministerie van OCW bekeken worden of geld verschoven kan worden richting het energie-onderzoek. EZ stelt dat gezien de huidige onzekerheden het uiteindelijke effect van de bezuinigingen op het energieverbruik en de CO2-emissies nu nog niet bepaald kan worden.
De ombuigingen betekenen naast de mogelijke gevolgen voor het verloop van het besparingsbeleid een aanzienlijk verlies aan directe werkgelegenheid bij instellingen als Senter, Novem, ECN en TNO. Ook andere ministeries kondigen in hun begrotingen omvangrijke bezuinigingen aan op budgetten voor technologie-ontwikkeling, energie en milieu, waardoor de totale ombuiging oploopt tot bijna een half miljard gulden in 1998. Voor een vijftal grote technologische instituten (GTI's) en TNO zijn de bezuinigingen aanleiding voor een brandbrief richting Den Haag. Zij spreken hun verbazing uit over het feit dat de regering technologie beschouwt als sleutel tot duurzame economische groei en technologiestimulering hoge prioriteit wil geven terwijl de budgetten voor onderzoek drastisch omlaag gaan. De instituten wijzen erop dat Nederland qua onderzoek- en technologie-uitgaven steeds verder achterop raakt met het buitenland. Verder zullen de indirecte effecten van de ombuiging nog groter worden, omdat co-financiering moeilijker wordt en niet-departementale financiers zelf ook getroffen worden door de bezuinigingen. Overheidsfinanciering blijft naar de mening van de GTI's nodig voor onderzoek naar en toepassing van nieuwe risicovolle en/of op de langere termijn gerichte kennis en technologie. Kennis is bovendien iets wat na afbraak niet makkelijk en snel weer op te bouwen is. TNO en de GTI's roepen daarom regering en Tweede Kamer op de kortingen te heroverwegen.
Mede naar aanleiding van een aantal studies over de technologische positie van Nederland wordt in het Regeerakkoord geconstateerd dat in Nederland de investeringen in onderzoek en ontwikkeling (R&D) relatief achterblijven bij het buitenland. Dit heeft volgens het kabinet zijn oorzaak in de mindere economische ontwikkeling in de afgelopen jaren en de smalle basis voor R&D in Nederland. Naar de mening van de regering is een andere oorzaak voor de Nederlandse achterstand het feit dat de kennisoverdracht vanuit publieke kennisinstellingen naar het bedrijfsleven en het MKB niet altijd soepel verloopt. In de EZ-begroting wordt gesteld dat het ontwikkelen en benutten van kennis een noodzakelijke voorwaarde is voor onder meer het behoud en de creatie van Nederlandse bedrijvigheid en werkgelegenheid. EZ verwacht daarbij veel van de zogenaamde clusterbenadering, een filosofie die met de nota 'Economie met open grenzen' uit 1991 door EZ werd geïntroduceerd. Een clusterbenadering houdt in dat de technisch-wetenschappelijke infrastructuur wordt ingebed in strategische samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld tussen bedrijven in de industrie en dienstensector, tussen bedrijven en kennisinstellingen. Daarbij zal bestuurlijke sturing plaats moeten maken voor sturing via de markt. Voor de kennisinstellingen betekent dit dat zij zich (nog) meer moeten richten op implementatie en overdracht van kennis en technologie naar het bedrijfsleven, in het bijzonder het MKB.
Eind oktober worden de begroting en de eerste nota van Wijziging van EZ
besproken in de Tweede Kamer. Op grond van een amendement van D66 wordt
besloten op het onderzoek naar duurzame energie en
energiebesparingstechnologie structureel 10 miljoen gulden per jaar
minder te bezuinigen. Dit wordt bereikt door een verlaging van de
bedragen voor de programma's Industrie, Gebouwde omgeving en Verkeer en
Vervoer, een verschuiving van 3 miljoen gulden per jaar binnen ECN van
nucleair onderzoek naar duurzame energie en een verlaging van de
beschikbare bedragen voor nucleair onderzoek met 1,5 miljoen gulden. De
bezuinigingen op het energiebeleid van structureel 180 miljoen vanaf
1997 blijven van kracht.