Ondertekening Energieverdrag
|
Berichten uit 1994
|
Op een EG-bijeenkomst in 1990 lanceerde de heer Lubbers het idee tot
samenwerking tussen Oost-Europa en het Westen op energiegebied. Het
Westen zou Oost-Europa kunnen helpen met kennis en kapitaal, om de olie
en gasindustrie te moderniseren. Tegelijk zou het Westen in de
Oosteuropese landen vrij naar gas en olie mogen boren en daarmee meer
verzekerd zijn van energie. Het plan zou voor de nieuwe democratieën
ook kunnen leiden tot meer economische groei door buitenlandse
investeringen, politieke stabiliteit en verbetering van het milieu. Het
Energiehandvest, een soort van intentieverklaring, werd in december 1991
ondertekend door 51 landen. De onderhandelingen over de inhoud van het
Energieverdrag hebben vervolgens, onder voorzitterschap van de heer
Rutten, bijna drie jaar in beslag genomen. Discussiepunten waren er
volop, onder meer over de uitwerking van het basisbeginsel van gelijke
behandeling, de bevoordeling van binnenlandse investeerders of leden van
samenwerkingsverbanden, de bepalingen over de doorvoer van olie en gas
en de behandeling van nieuwe buitenlandse investeerders. Op 11 juni
wordt bekend dat de deelnemers grotendeels overeenstemming hebben
bereikt over de verdragtekst. De Nederlandse Ministerraad gaat op 2
december akkoord met de ondertekening van het verdrag. Op 17 december
wordt het Energiehandvestverdrag en het bijbehorende
energie-efficiëntieprotocol door 41 landen en de Europese Unie
ondertekend, in Lissabon. Bij onenigheid zal een land zich onderwerpen
aan een internationale arbitragecommissie. Het verdrag treedt in werking
negentig dagen nadat de dertigste ondertekenaar het verdrag heeft
geratificeerd, dat zal uiterlijk in 2001 gebeuren.
Terug naar thema
Overheid en energiebeleid 1994