Regels inzake de organisatie van distributie van elektriciteit, gas en warmte

Berichten uit
1995
Begin april stuurt minister Wijers de derde nota van wijziging met betrekking tot de Wet energiedistributie naar de Tweede Kamer. Oorspronkelijk doel van deze wet, eind jaren tachtig, was het wettelijk regelen van de reorganisatie van de energiedistributie. In november 1993 liet de toenmalige minister van EZ echter weten dat hij het gezien het voortvarende proces van fusies, schaalvergroting en horizontale integratie in deze sector niet meer nodig vond dit proces wettelijk vast te leggen. Inzake het toezicht op de uitgaven voor de besparingstaken van de distributiebedrijven en de mogelijke oneerlijke concurrentie van sommige activiteiten die zij ondernemen, werd een wettelijke regeling wel wenselijk geacht. De afgelopen jaren heeft de sector namelijk tal van nieuwe (neven)activiteiten opgestart. Zo verzorgen dochterbedrijven ongeveer de helft van de kabelaansluitingen, wordt geïnvesteerd in vuilverwerkingsinstallaties, worden energiediensten en verhuurmogelijkheden voor energiezuinige apparatuur aangeboden en bieden negen energiebedrijven binnen het samenwerkingsverband Enertel telecommunicatiediensten aan. Deze nieuwe activiteiten hebben geleid tot klachten en kamervragen over oneigenlijke besteding van MAP-gelden, hoge MAP-reserves bij sommige distributiebedrijven en oneerlijke concurrentie van energiebedrijven met installatiebedrijven in de regio.

Omdat de minister oneerlijke concurrentie van distributiebedrijven wilde tegengaan, werd aan EnergieNed en verschillende brancheorganisaties gevraagd hiertoe gezamenlijk een gedragscode op te stellen. Omdat dit niet lukt, besluit de minister in de nota tot het volgende. Een distributiebedrijf mag geen goederen of diensten leveren waardoor het in concurrentie treedt met anderen, tenzij het de levering van elektriciteit, gas, warmte of water betreft, en alles wat daar direct mee samenhangt. Er geldt een aantal uitzonderingen. Diensten zoals besparingsadviezen, die tegen geen of een geringe vergoeding worden geleverd, mag het distributiebedrijf blijven verlenen. Incasso-activiteiten ten behoeve van derden en de uitoefeningen van controles op de veiligheid zal een distributiebedrijf mogen blijven verrichten, daar heeft een ieder belang bij. Ook werkzaamheden aan de technische infrastructuur blijven de taak van de distributiesector. Activiteiten inzake nieuwe technologieën mag de distributiesector tenslotte ook ondernemen. Het gaat vaak om nog niet marktrijpe producten met hoge kosten en risico's, die nog niet worden geïmplementeerd door andere sectoren. De voorstellen uit de nota betekenen dat activiteiten als de verhuur van ketels en geisers, afvalverwerking en telecommunicatie ondergebracht moeten worden in afzonderlijke ondernemingen en dat over deze activiteiten vennootschapsbelasting betaald moet worden. Verder mag een dochterbedrijf niet anders behandeld worden dan andere in de markt actieve partijen.

De minister neemt in de wet energiedistributie een expliciete regeling op inzake de MAP-bijdrage. De MAP-heffing zal de eerste jaren hooguit 2,5% van de tarieven mogen bedragen, in de toekomst kan dit percentage wel veranderd worden. Omdat het MAP bedoeld is voor stimulering van energiebesparing bij vooral de kleinere verbruikers wil de minister de mogelijkheid bieden tot differentiatie van het tarief naar verbruikerscategorie. Om een zuivere besteding van de MAP-gelden te waarborgen zal een verplichte afzonderlijke financiële verslaglegging gaan gelden voor de activiteiten in het kader van het MAP. Verplichte verbruikersraden oefenen toezicht uit op de besteding. Ook wordt de positie van EnergieNed wettelijk verankerd.

De derde nota van wijziging ontvangt veel kritiek bij de bespreking ervan door de vaste commissie van EZ. Bij de kamerleden blijft onduidelijkheid bestaan over de feitelijke taken van de distributiebedrijven, de gewenste maatschappelijke controle, de positie van het MAP, de mogelijke oneerlijke concurrentiepositie en de ruimte die de sector krijgt voor het ondernemen van activiteiten buiten de eigenlijke distributie om. Door de minister wordt in het najaar uitvoerig op de kritiek gereageerd en de concurrentiebepalingen worden in een vierde nota van wijziging aangescherpt. Zo wordt bijvoorbeeld de verplichte betaling van vennootschapsbelasting voor dochters expliciet vastgelegd en wordt de financiële relatie tussen de moeder- en dochteronderneming onderworpen aan een verplichte accountantscontrole.

EnergieNed mist in het voorstel een kader dat aangeeft hoe de distributiesector en de overheid zich tot elkaar zouden moeten verhouden. Het wetsvoorstel houdt naar haar mening een te gedetailleerde bemoeienis in van de wetgever met sommige activiteiten van de sector. De sector heeft de meeste bezwaren tegen de regels voor mededinging op andere markten. Branche-organisaties bepleiten evenwel een meer stringente regeling.

Overigens staat EZ niet afwijzend tegenover het concept van energiediensten. In juni verschijnt een in opdracht van EZ door het Centrum voor energiebesparing en schone technologie verrichte studie over de mogelijkheden van levering van energiediensten. EZ ziet energiediensten als een middel om energiebesparing en kostenbesparing te bereiken. Zo kan een bijdrage worden geleverd aan de energiebesparingsdoelstellingen.

In februari 1996 wordt de Wet energiedistributie met enkele aanpassingen aangenomen door de Tweede Kamer.


Terug naar thema Energiedistributie 1995