Groene stroom in opmars
|
Berichten uit 1995
|
In 1994 kwam de PNEM met het idee dat het misschien mogelijk zou zijn de
eigen klanten de keuze te bieden uit gewone stroom of iets duurdere
groene stroom, dat is stroom uit wind, biomassa, water of zon. Uit een
marktonderzoek bleek dat de helft van de klanten het redelijk vond als
voor die groene stroom rond de f. 20 per maand meer betaald zou moeten
worden. In 1995 begint PNEM daadwerkelijk met de uitvoering van het idee
en een eerste proefproject in Tilburg blijkt zeer succesvol. PNEM
besluit daarop om alle klanten in haar verzorgingsgebied de
keuzemogelijkheid aan te bieden. Voor een kWh 'groene stroom' wordt door
de consument 27,61 cent/kWh betaald, inclusief btw. Dat is 8,9 cent meer
dan een normale kWh stroom; groene stroom wordt echter vrijgesteld van
de regulerende energiebelasting, die 3,5 cent/kWh bedraagt. Met de extra
opbrengst wil PNEM investeren in uitbreiding van duurzame energie. Een
onafhankelijke instantie, het Wereld Natuur Fonds, houdt toezicht op de
activiteiten en controleert of er niet meer groene stroom wordt verkocht
dan PNEM in werkelijkheid inkoopt of met eigen bronnen produceert. Eind
december 1995 zijn er circa 3.500 afnemers van groene stroom.
Ondertussen zijn ook EDON en NUON met soortgelijke plannen gestart.
De reacties op het idee van groene stroom verschillen. Men is
enthousiast, ziet groene stroom als een mogelijkheid om de ontwikkeling
van duurzame energie te steunen of ziet het als een mogelijkheid om het
wegvallen van de subsidies op duurzame energie te compenseren. Anderen
wijzen er op dat het niet zo mag zijn dat de klant nu een deel van de
MAP-doelstellingen op het terrein van duurzame energie financiert.
Groene stroom zou moeten leiden tot extra investeringen bovenop de
activiteiten die nodig zijn om de in het tweede MAP voorgenomen 2,8%
energie uit duurzame bronnen in 2000 te bereiken.
Terug naar thema
Energiedistributie 1995