Resultaten tweede MAP over 1994

Berichten uit
1995
In maart 1994 presenteerde EnergieNed het tweede MAP van de energiedistributiesector. Met de activiteiten in het kader van het MAP sluit de sector aan op de doelstelling van de rijksoverheid: vermindering van de CO2-emissies in 2000 met minimaal 3% ten opzichte van 1990. De distributiesector heeft in het tweede MAP een maatregelenpakket samengesteld dat in de periode 1991-2000 moet resulteren in een reductie van CO2-emissies met 17,1 miljoen ton en een vermindering van verzurende emissies met 0,27 miljard zuurequivalenten. Voor het bereiken van de doelstellingen maakt het tweede MAP een onderscheid tussen de vraagzijde (huishoudens, utiliteit en industrie) en de productiezijde (warmtemarkt, warmtedistributie, duurzame energie en overige technieken). Voor de vraagzijde en productiezijde geldt een doelstelling van respectievelijk 6,2 en 10,8 miljoen ton CO2.

In mei 1995 maakt EnergieNed de resultaten van het tweede MAP over het jaar 1994 bekend. De in 1994 genomen maatregelen zullen resulteren in een vermindering van CO2-emissies met 1,2 miljoen ton in 2000, voor zuurequivalenten geldt een reductie met 20,5 miljoen. Zoals ook aangegeven in de onderstaande tabel neemt de verbruikszijde 0,45 miljoen ton CO2 voor haar rekening en de productiezijde 0,75 miljoen ton CO2. De vermindering van verzurende emissies komt grotendeels toe aan huishoudens en utiliteitsgebouwen. De maatregelen voor de groep huishoudens zijn vergelijkbaar met voorgaande jaren. Verschillende vormen van isolatie en de plaatsing van HR-ketels zijn de belangrijkste maatregelen. Verder leveren de aanschaf van meer energiezuinige apparaten en verlichting, ombouw oliestook, zongericht bouwen en het meer gedragsmatige 'beter huishouden' een goede bijdrage. In de utiliteitssector gaat het bereiken van de doelstellingen wat moeizamer. De distributiesector probeert met behulp van de stimuleringsregelingen ISO-HR en STIMEV maatregelen als isolatie, warmteterugwinning, nieuwe HR-ketels, leidingisolatie, aanpassing of aanleg van verlichtingsinstallaties in deze sector te bevorderen. De resultaten voor de industrie zijn relatief beperkt, de totaal bereikte CO2-reductie bedraagt 16,3 kton. EnergieNed stelt dat voor de industrie, die pas in het tweede MAP als doelgroep werd geformuleerd, het jaar 1994 als een aanloopjaar moet worden beschouwd. Voor de warmtemarkt is het moratorium warmte/kracht, van februari tot oktober 1994, van grote invloed geweest.


  CO2-reductie in duizend ton CO2
  doelstelling 2000 realisatie 1994 realisatie 1991-1994 % realisatie 1991-1994

Huishoudens 3.200 287 989 31
Utiliteitsgebouwen 1.800 152 392 22
Industrie 1.300 16 16 1
Warmtemarkt 7.600 349 3.181 42
Duurzame energie 1.100 55 156 14
Overige nieuwe technologieen 500 8 9 2
Stortgas 1.700 339 762 45
 



Totaal 17.000 1.206 5.504 32

Bron: Resultaten MAP Energiedistributiesector 1994, p. 15, Arnhem, 1995.

Het resulteerde in uitstel van een aantal projecten tot na de planperiode van het MAP, en dat heeft de uitkomsten voor dit onderdeel negatief beïnvloed. Het in 1994 geringe aantal nieuwe projecten op het gebied van warmte/kracht-koppeling en warmtedistributie levert niettemin in 1994 opnieuw de grootste bijdrage aan de CO2-reductie. Door de plaatsing van kleinschalige warmte/kracht nemen de verzurende emissies enigszins toe in deze sector. Inzake duurzame energie heeft de sector zich een eigen doelstelling opgelegd: in 2000 zal 2,8% van de vraag naar elektriciteit duurzaam moeten worden opgewekt. Windenergie levert de grootste bijdrage aan het bereiken van deze doelstelling, de rol van zonne-energie is zeer gering maar neemt wel toe, biomassa bevindt zich als nieuwe MAP-maatregel nog in de beginfase. Andere nieuwe en innovatieve technologieën, zoals gasexpansie, CO2-bemesting, voertuigen op aardgas en gebruik van stortgas leiden in 1994 tot 347 kton vermeden CO2-emissies en 0,7 miljoen vermeden zuurequivalenten. Deze groep maatregelen is wel relatief kostbaar.

Ten behoeve van de MAP-activiteiten betalen energiegebruikers sinds 1991 een zogeheten MAP-toeslag, deze verhoogt de energieprijs met 0,5 tot 2,0%. In 1994 ontving de distributiesector uit deze toeslag een bedrag van f. 246 miljoen. Een aantal energiebedrijven besteedde daarnaast geld uit eigen middelen aan de MAP-activiteiten. Andere bedrijven daarentegen hielden geld over, dit is gereserveerd voor bezigheden in komende jaren.

EnergieNed constateert dat een aantal ontwikkelingen het verloop van het MAP sterk beïnvloedt. Zo hebben het moratorium en het afschaffen van de subsidies de resultaten aan de productiezijde direct benvloed. Verder is het MAP-II nog gebaseerd op de Set van Afspraken, op grond waarvan EZ jaarlijks f. 151 miljoen bijdraagt aan subsidiegelden voor MAP-activiteiten. Dit bedrag is als gevolg van de bezuinigingen gereduceerd tot f. 30 miljoen. In de Reparatiebrief van minister Wijers van juni 1995 wordt wel een aantal compenserende maatregelen genoemd, zoals vrijstelling voor duurzame energie van de energieheffing en bepaalde fiscale maatregelen. De daadwerkelijke gevolgen van de bezuinigingen en compenserende maatregelen moeten nog blijken. Ten derde is door de overheid besloten tot introductie van een regulerende energiebelasting. De distributiesector meent dat deze verhoging van de energieprijzen de geloofwaardigheid van hun beleid richting de klanten ondermijnt. Bovendien acht de sector het effect van de heffing, gezien de lage prijselasticiteit, zeer gering. Voorts buigt EnergieNed zich samen met Sep en Gasunie sinds 1993 over de mogelijkheden tot en uitgangspunten voor een Integraal Milieuplan van de Energiesector (IMES), waarin de afzonderlijke milieuplannen op elkaar zijn afgestemd.

De ontwikkelingen zullen invloed hebben op het verdere verloop van het MAP. EnergieNed geeft aan dat de sector zich, ongeacht deze ontwikkelingen en veranderingen, zal blijven inzetten voor een beter milieu.


Terug naar thema Energiedistributie 1995