Overeenstemming over nieuwe standaardregeling terugleveringen

Berichten uit
1995
De Elektriciteitswet 1989 stelt dat de distributiesector decentrale elektriciteit verplicht moet af nemen en de betreffende producent een vergoeding moet geven die is gebaseerd op de door distributiebedrijven uitgespaarde kosten. Een eenduidige interpretatie van 'uitgespaarde kosten' bleek niet haalbaar, mede gezien de overcapaciteit en de verschuiving van centraal naar meer decentraal productievermogen. Eind 1994 besloten EnergieNed, Vereniging van Afvalverwerkers, Vereniging Krachtwerktuigen, SIGE en het Landbouwschap daarom tot het laten verrichten van een studie inzake terugleververgoedingen. De Commissie Vermeden Inkoopkosten kreeg als doel duidelijk te krijgen in welke mate de kosten van de energievoorziening kunnen worden uitgespaard. In de studie onderzoek worden drie kostensoorten onderscheiden: vaste kosten, capaciteitskosten en variabele kosten. Vaste kosten zijn de kosten die ongeacht de omvang van de elektriciteitsvoorziening gemaakt moeten worden en alleen op de lange termijn uitgespaard kunnen worden. Variabele kosten betreffen vooral de brandstofkosten en zijn volledig uitspaarbaar. Capaciteitskosten hangen direct samen met het opgestelde vermogen en kunnen slechts met schokken worden aangepast. De kostenindeling zoals die in de studie wordt gehanteerd is door EnergieNed gebruikt als uitgangspunt bij het maken van afspraken voor de Standaardregeling Terugleveringen 1996. Op 21 december bereikt EnergieNed hierover overeenstemming met de belangenorganisaties van terugleveraars. Voor bestaand vermogen wordt de vergoeding gebaseerd op de capaciteitskosten en de variabele kosten van de productiesector. Voor nieuw vermogen zal een teruglevering tot stand komen op basis van vraag- en aanbodverhoudingen. Dit betekent dat voor stroom uit nieuw vermogen bij overcapaciteit alleen de variabele brandstofkosten worden vergoed.

Terug naar thema Energiedistributie 1995