Nieuwe elektriciteitstarieven goedgekeurd

Berichten uit
1995
Ieder jaar moeten Sep, EnergieNed en het Overlegorgaan Productiesector (OPS) hun voorstellen voor de elektriciteitstarieven van het komende jaar voorleggen aan de minister van EZ. Uit de voorstellen voor 1996, die met vertraging en met bemiddeling vanuit EZ worden ingediend op 1 november, blijkt dat met name de kapitaallasten aanzienlijk stijgen. De voorstellen worden door de minister begin december goedgekeurd. Gezien het feit dat ondanks efficiëntieverbeteringen de tarieven voor grootverbruikers relatief sterk stijgen doet de minister wel een beroep op de elektriciteitssector om verdere kostenstijgingen maximaal te beperken.

Het Landelijk Basis Tarief, waartegen Sep teruglevert aan de productiebedrijven, zal in 1996 bestaan uit de volgende componenten:

  • Productie: f. 220 per kW, waarmee het grootste deel van de vaste kosten wordt gedekt;
  • Opslag: gemiddeld 1,35 cent/kWh voor dekking van het resterende deel vaste kosten, wordt in de perioden januari-april en september-december in rekening gebracht;
  • Transport: gemiddeld f. 28,50 per kW, berekend naar gecontracteerd vermogen, ter dekking van de kosten van het koppelnet van Sep;
  • OOM-gelden: f. 18 per kW, nodig voor de kosten van onderzoek, ontwikkeling en milieu, berekend naar historisch verbruik, f. 188 miljoen;
  • Restcomponent: f. 21 per kW, berekend naar historisch verbruik, een totaalbedrag van f. 220 miljoen.

In het LBT worden de totale niet-brandstofkosten voor een bedrag van f. 3,2 miljard verrekend. De afzonderlijke productiebedrijven mogen bovenop het LBT een regionale toeslag berekenen voor die vaste kosten die niet door Sep worden gedekt. In 1996 mag deze toeslag maximaal f. 12,95 per kW bedragen, in 1995 was dat nog f. 13,75 per kW. De regionale toeslag en het LBT vormen samen het Regionaal Basis Tarief (RBT), het tarief waartegen distributiebedrijven stroom inkopen bij de productiebedrijven. Op grond van het LBT en RBT en de eigen kosten voor distributie en aflevering stelt EnergieNed vervolgens de Maximum Eindverbruikers Tarieven (MET) vast. Los van de MET betaalt de eindverbruiker een bedrag voor de benodigde brandstoffen. Al met al resulteren de tariefaanpassingen voor kleinverbruikers in een verlaging van het maximum tarief met 0,8%. Een grootverbruiker betaalt maximaal 0,2% meer dan in 1995. Voor zeer grote energieverbruikers zal de stijging van het maximumtarief 3,1 tot 4,4% bedragen, afhankelijk van het type verbruiker.

Naast het verlenen van goedkeuring aan het LBT, RBT en de MET verleent de minister ook toestemming tot een apart maximum tarief voor groene stroom. Dit tarief mag maximaal 7,5 cent/kWh, exclusief btw, hoger zijn dan het tarief voor gewone stroom.

In 1996 zal de afname van centraal productievermogen door distributiebedrijven voor het tweede jaar contractueel geregeld worden. Bij een lagere afname zal toch voor de niet-afgenomen elektriciteit betaald moeten worden. Bij een hogere afname dan in het contract overeengekomen, moet voor de extra kW's een hoger bedrag betaald worden. In 1995 blijkt dat distributiebedrijven gemiddeld genomen neigen tot een voorzichtige lage inschatting van door hen af te nemen vermogen.

Vereniging Krachtwerktuigen stelt in een brief aan de minister dat de voorstellen er toe zullen leiden dat het gesplitst tarief, van toepassing op een aantal zeer grote verbruikers, met circa 10% stijgt. De kostendaling die bereikt is in de distributiesector komt niet ten goede aan deze groep eindverbruikers. Als de minister goedkeuring verleent aan de tariefvoorstellen, is dit voor de Vereniging Krachtwerktuigen reden om begin januari 1996 een bezwaar in te dienen. Een in 1995 door de Vereniging ingediend bezwaarschrift tegen de tarieven over 1995 werd na overleg met EnergieNed en EZ ingetrokken. EnergieNed maakte onder andere de boeteregeling bij overschrijding van het gecontracteerd vermogen soepeler.


Terug naar thema Elektriciteitsproductie 1995