Reparatiebrief minister Wijers naar Tweede Kamer

Berichten uit
1995
De invulling van de f. 300 miljoen bezuinigingen op de EZ-begroting van 1995 werd in een brief en twee nota's van wijziging in het najaar van 1994 vastgelegd. Voor het energiebeleid werd besloten tot een structurele verlaging van de uitgaven met f. 180 miljoen. De bezuinigingen leidden ertoe dat per 1995 de financiering van bepaalde onderzoekprogramma's is verminderd of beëindigd; subsidies voor warmte/kracht-koppeling zijn afgeschaft en per 1996 zullen de subsidies voor nieuwe energiebesparende technieken, waterkracht, aardwarmte en windenergie ook verdwijnen. Vanwege de forse bezuiniging werden drie compenserende maatregelen genoemd: een beroep op de MJA-partners om de afgesproken inspanningen te handhaven, een beroep op de distributiebedrijven om ondanks de vermindering van de bijdragen van de rijksoverheid toch door te gaan met de activiteiten in het kader van het MAP en tenslotte het mogelijke gebruik van de regulerende energiebelasting voor de stimulering van duurzame energiebronnen. Over het effect van deze maatregelen zou de minister in de loop van 1995 verslag doen. Dit gebeurt in de 'Reparatiebrief' van 28 juni. De brief wordt vergezeld van twee bijlagen waarin de voortgangsrapportage energiebeleid en de stand van zaken rond energiebesparing en duurzame energie wordt weergegeven.

De MJA's met de industrie vormen een belangrijk onderdeel van het besparingsbeleid. De betrokken bedrijven en brancheverenigingen hebben zich vastgelegd op een bepaalde doelstelling voor efficintieverbetering. Door het wegvallen van de subsidie voor warmte/kracht en nieuwe energiebesparende technieken en de spreiding van het aantal warmte/kracht-projecten door Sep en EnergieNed zou deze doelstelling in het gedrang kunnen komen. In de brief concludeert de minister echter dat de industrie goed op weg is met energiebesparing, dat geen enkele MJA is opgezegd of bijgesteld en dat het animo voor nieuwe MJA's niet is afgenomen. Wel is soms aangegeven dat bij het verlengen van de MJA voor de periode 1996-2000 de doelstelling opnieuw bekeken moet worden. De minister acht het gerechtvaardigd te verwachten dat de MJA-inspanningen zullen verlopen zoals in eerste instantie is overeengekomen.

De distributiesector werd als gevolg van de bezuinigingen geconfronteerd met een veel lagere rijksbijdrage dan overeengekomen in de Set van Afspraken. De onderlinge gesprekken leiden ertoe dat de sector bereid is de MAP-doelstellingen in grote lijnen te handhaven. Daarbij stelt EnergieNed dat de feitelijke realisering van de doelstellingen binnen de gestelde planperiode niet meer te garanderen is en zal afhangen van de door de overheid te formuleren aanvullende maatregelen en de continuïteit daarvan.

EZ presenteert gedurende het jaar verschillende initiatieven waarbij zeggens de minister het accent verschuift van een investeringsstimulans naar een exploitatiestimulans. Een eerste initiatief is de regeling groen beleggen, welke fondsen de mogelijkheid biedt onder vrijstelling van de rente van inkomstenbelasting te investeren in duurzame energie, warmte- en koudeopslag, warmtepompen en distributienetten voor restwarmte. Andere maatregelen betreffen de fiscale VAMIL-regeling en het voornemen tot het geven van een extra stimulans voor hoogwaardige vernieuwende warmte/kracht-toepassingen. Verder noemt de minister het feit dat in het kader van de regulerende belasting op energie besloten is dat voor gas voor warmte/kracht-installaties en voor warmtedistributie geen heffing zal gelden. Dit betekent een gunstigere positie van deze technieken.

De bezuinigingen betekenen dat de subsidiefaciliteiten voor duurzame technologieën per 1996 vervallen. Voor zon-thermisch geldt in het kader van het convenant een regeling tot eind 1997. De regulerende belasting op energie wordt per 1996 ingevoerd. Door nu technieken als waterkracht, wind, zonne-energie en elektriciteit en warmte uit biomassa via een constructie vrij te stellen van de heffing, zal de positie van deze duurzame technieken verbeteren ten opzichte van conventionele technieken. Sommige technieken worden daarmee voldoende gecompenseerd, andere onvoldoende. Voor het geheel verwacht de minister echter dat de doelstelling voor 2000 van 84 PJ, zoals geformuleerd in de VNEB, gerealiseerd kan worden.

Tenslotte wijst de minister op een aantal aanvullende maatregelen die gedurende het jaar tot stand gekomen zijn en die het effect van het besparingsbeleid positief kunnen beïnvloeden. Genoemd worden de voorbereiding voor een convenant met de transportsector en met de installatiebranche, het energieplan van het MKB, de maatregelen rond Duurzaam Bouwen en het programma Energie, Economie en Techniek, naar aanleiding van de nota Kennis in Beweging. Al met al concludeert de minister dat het geheel van nieuwe initiatieven en maatregelen, ondanks de bezuinigingen, er toe kan leiden dat per jaar 1,6% efficiëntieverbetering bereikt wordt. Dat is minder dan de in de VNEB genoemde 1,7% maar meer dan de in de brief van oktober 1994 veronderstelde 1,4%.


Terug naar thema Overheid en energiebeleid 1995