Variaties op groene stroom

Berichten uit
1996
In navolging van de PNEM, die in 1995 begon met de levering van groene stroom, bieden in 1996 diverse distributiebedrijven elektriciteit uit duurzame energie aan tegen een apart, hoger tarief. De extra inkomsten worden gebruikt om de capaciteit voor elektriciteitswinning uit wind, water, zon of biomassa uit te breiden. Er zijn verschillen in de benaming die de distributiebedrijven ervoor hanteren. Zo leveren PNEM, EDON en Delta Nutsbedrijven groene stroom, spreken REMU, Eneco, ENW en MEGA Limburg van ecostroom en gebruikt NUON de naam natuurstroom.

Ook de verplichtingen die de bedrijven zich opleggen verschillen. Alle bedrijven garanderen dat er niet meer elektriciteit als duurzaam wordt verkocht dan er in werkelijkheid duurzaam wordt opgewekt. PNEM, die de MAP-heffing heeft afgeschaft, gebruikt de extra inkomsten uit groene stroom voor het bereiken van de MAP-doelstelling van 2,8% duurzame elektriciteit in het jaar 2000. Andere bedrijven verplichten zich de extra inkomsten te investeren in duurzame capaciteit bovenop de MAP-doelstelling. De naleving van de verplichtingen wordt gecontroleerd. Voor de meeste distributiebedrijven is het Wereld Natuur Fonds (WNF) de controlerende instantie. Het WNF, dat het concept landelijk wil ondersteunen, hoopt op meer uniformiteit in de naamgeving, daar dit landelijke publiciteit zou vergemakkelijken. Ook het Ministerie van EZ werkt mee aan deze verkoopwijze van duurzame stroom. Het maakt hiervoor een uitzondering op de Maximum Eindverbruikers Tarieven en streeft daarnaast naar een verlaagd BTW-tarief voor duurzaam opgewekte elektriciteit.


Terug naar thema Energiedistributie 1996