Minister Wijers keurt Elektriciteitsplan Sep goed

Berichten uit
1996
Begin juli keurt minister Wijers van Economische Zaken het Elektriciteitsplan 1997-2006 van Sep goed. Dit is waarschijnlijk het laatste Elektriciteitsplan omdat in de toekomstige, vrijere markt geen plaats meer is voor centrale planning. Het Elektriciteitsplan 1997-2006 is echter nog opgezet conform de richtlijnen van de Elektriciteitswet van 1989. Dit betekent dat voor de komende tien jaar, op basis van een raming van de landelijke elektriciteitsvraag en van het landelijke aanbod aan decentraal vermogen, wordt aangegeven hoe in de resterende elektriciteitsvraag zal worden voorzien. In de nieuwe situatie zijn het de distributiebedrijven die in dekkingsplannen aan moeten geven hoe ze aan hun verplichtingen (leveranties aan gebonden klanten) denken te voldoen.

Sep verwacht de komende tien jaar een economische groei van gemiddeld 1,9% per jaar en een toename van de elektriciteitsvraag met gemiddeld 1,7% per jaar. In het verleden nam het elektriciteitsverbruik sneller toe dan de economische groei, maar Sep rekent erop dat het besparingsbeleid effectief zal zijn en gecontinueerd zal worden. Sep gaat ook uit van een toenemende elektriciteitsintensiteit.

Omdat dit Elektriciteitsplan verschijnt in een overgangssituatie en onder omstandigheden van overcapaciteit, is Sep zeer terughoudend geweest met het opnemen van nieuw vermogen in het plan. Tot en met het jaar 2002 beperkt de uitbreiding zich tot het decentrale vermogen waarover met EnergieNed in 1994 - in het kader van de 'bezinning warmte/kracht' - reeds afspraken zijn gemaakt. Na 2002 is evenmin nieuw centraal vermogen nodig omdat een aantal bestaande centrales langer in bedrijf kan worden gehouden. Daarover worden nu echter nog geen besluiten genomen, omdat goed denkbaar is dat te zijner tijd de voorkeur wordt gegeven aan uitbreiding van het warmte/kracht-vermogen. Vooruitlopend daarop bevat het plan een bijlage met criteria waaraan andersoortige installaties moeten voldoen. Er is onder andere een minimumrendementseis voor warmte/kracht-installaties geformuleerd.

Voor de ontwikkeling van het decentrale vermogen gaat Sep uit van een bandbreedte met een onder- en een bovengrens. Sep verwacht een toename van het grootschalige, industriële warmte/kracht-vermogen tot minimaal 3250 MW in het jaar 2000. De in 2000 bereikte omvang zal daarna minimaal gehandhaafd blijven. Het kleinschalige warmte/kracht-vermogen (installaties kleiner dan 2 MW) zal minimaal doorgroeien van 850 MW in 1995 tot 900 MW in het jaar 2000. Daarna treedt naar verwachting stabilisatie op. Wat betreft het maximaal te verwachten warmte/kracht-vermogen baseert Sep zich op een enquête die EnergieNed in 1995 onder haar leden heeft gehouden. EnergieNed kwam toen op een warmte/kracht-potentieel (groot- en kleinschalig) van 5940 MW in het jaar 2006 (1683 MW boven de ondergrens van Sep).

Volgens Sep zal, wanneer uit wordt gegaan van de conservatieve schatting van de ontwikkeling van het warmte/kracht-vermogen, aan het eind van de planperiode ongeveer een kwart van de in Nederland verbruikte elektriciteit met behulp van decentraal vermogen worden geproduceerd. Dit decentrale vermogen omvat behalve bovengenoemd warmte/kracht-vermogen ook de afvalverbrandingsinstallaties, met een capaciteit van circa 400 MW (vanaf 2000), 1000 MW wind (vanaf 2004), 85 MW zon PV (in 2006) en de huidige 36 MW waterkracht.

Een gevolg van het besluit om voorlopig geen nieuw centraal vermogen in gebruik te nemen, is dat de voorgenomen bouw van een KV/STEG-eenheid van 600 MW in Borssele, waarvoor het vorige Elektriciteitsplan het voorbereidingsbesluit bevatte, is komen te vervallen.

Minister Wijers beoordeelt het Elektriciteitsplan met name op de aspecten marktwerking en duurzaamheid. Sinds de Derde Energienota zijn dit de belangrijkste criteria. Op beide criteria scoort het Elektriciteitsplan voldoende. De AER is wat kritischer. Zij vraagt zich af of Sep wel voldoende ruimte schept voor de ontwikkeling van decentraal vermogen en voor de benutting van afvalwarmte uit bestaand vermogen. Ook stelt de Raad, verwijzend naar de beschouwing over exergie en warmtepompen, dat het Elektriciteitsplan een expliciete visie bevat op de rol van elektriciteit in een duurzame energievoorziening. De Raad vindt dat zo'n visie niet in het Elektriciteitsplan thuishoort en adviseert de Minister zijn goedkeuring te beperken tot die onderdelen die wettelijk zijn voorgeschreven.

De Minister benadrukt dat hij de voorkeur geeft aan nieuw warmte/kracht-vermogen boven het verlengen van de levensduur van bestaande eenheden. Wat het laatste betreft kunnen aan de goedkeuring van het plan dan ook geen rechten worden ontleend.

Naar aanleiding van het besluit om de kerncentrale in Dodewaard vervroegd te sluiten (zie oktober) stuurt de Sep-directie in december een voorstel tot wijziging van het Elektriciteitsplan naar de Minister van Economische Zaken. Dit voorstel wordt in 1997 in behandeling genomen door de Tweede Kamer.


Terug naar thema Elektriciteitsproductie 1996