Akkoord over nieuwe tariefstructuur |
Berichten uit 1996 |
De distributiebedrijven komen elk jaar met de productiesector overeen hoeveel van welk soort vermogen zij af willen nemen. Elk bedrijf kan zo z'n eigen portfolio vaststellen. Dit wordt in een contract vastgelegd. Neemt een distributiebedrijf meer af dan overeengekomen, dan moet daarvoor een hogere vergoeding worden betaald. De distributiebedrijven zullen de nieuwe tariefstructuur op hun beurt hanteren voor de bijzondere grootverbruikers.
Nieuw is dat er een apart tarief komt voor al diegenen die aan het centrale net leveren en gebruik maken van bepaalde diensten, zoals het draaiend houden van reservevermogen en het voorzien in de juiste frequentie en spanning. Dit wordt het dienstentarief genoemd.
Voor de komende vier jaar zijn ook prijsafspraken gemaakt. Dit is gedaan om het risico van een onbeheerste overgang naar een vrijere elektriciteitsmarkt (in een periode van overcapaciteit) af te dekken. De distributiesector draagt daarom per jaar ongeveer 400 miljoen gulden bij aan de niet marktconforme kosten van de productiesector. Afgesproken is verder dat men de komende vier jaar uit zal gaan van een kostenniveau dat ongeveer 1,4% boven dat van 1996 ligt. Bij een inflatie van ruim 2% per jaar zou dat na 1997 toch een reële prijsverlaging opleveren.
Verwacht wordt dat het nieuwe systeem een aantal
tekortkomingen van het LBT kan wegnemen. De jaarlijkse contracten
moeten er voor zorgen dat de distributiebedrijven de afweging tussen
inkopen uit de centrale voorziening, inkopen van een derde of zelf
decentraal produceren, gefundeerder gaan maken. Ze worden in het
nieuwe systeem met de werkelijke kosten geconfronteerd en kunnen
geen kosten meer afwentelen. Gehoopt wordt dat de concurrentieverhouding
tussen centraal en decentraal produceren hierdoor wordt hersteld
en dat de groei van het warmte/kracht-vermogen hiermee enigszins
kan worden beheerst.