AER-advies over de Derde Energienota |
Berichten uit 1996 |
De AER meent dat de nota de beleidsbepalende ontwikkelingen juist analyseert, maar vindt dat het beleid voor de lange termijn aandacht moet besteden aan de voorzieningszekerheid van energie, met name van olie en gas. Het belangrijkste thema voor het beleid voor de korte termijn is de kosten- en organisatiestructuur die momenteel ontoereikend is, maar over dit onderwerp is de Nota te weinig helder, zo vindt de Raad.
De Derde Energienota streeft naar 33% efficiency-verbetering in 2020 (jaarlijks 1,5% gedurende 25 jaar). De AER vindt dit te globaal en doet een aantal aanbevelingen. Er zouden tussendoelen moeten worden gesteld. In de eerste jaren na 2000 zou de huidige doelstelling van 1,7% per jaar moeten blijven gelden, omdat te verwachten valt dat aan het begin van de periode een hoger tempo kan worden gerealiseerd dan aan het einde. Ook zou aan verschillende energiegebruikssectoren duidelijk gemaakt moeten worden wat er van hen wordt verwacht. In elk geval zou gezorgd moeten worden voor een meer energie-efficiënt nationaal transportsysteem door een 'vergaande integratie van vervoerswijzen', zoals de AER reeds in 1994 adviseerde.
De doelstelling '10% duurzame energie in 2020' vindt de AER hoog genoeg, gezien de huidige stand van zaken. Het gaat daarbij vooral om duurzaam opgewekte elektriciteit (ongeveer 17% van alle elektriciteit). Er moet wel goed geanalyseerd worden hoe deze duurzame bronnen (en de geplande hoeveelheid warmte/kracht-koppeling) moeten worden ingepast in het toekomstige systeem van elektriciteitsopwekking.
De beleidsinstrumenten zullen op korte termijn moeten worden aangepast, omdat de relatie tussen overheid en energiebedrijven verandert door een toenemende marktwerking; wellicht zal de overheid meer dan voorheen gebruik moeten maken van wet- en regelgeving. De AER adviseert te onderzoeken of een percentage elektriciteit uit duurzame bronnen verplicht kan worden gesteld bij alle stroomleveringen en of deze verplichting verhandelbaar gemaakt kan worden. De investeringen in duurzame energie zouden mede bekostigd moeten worden uit extra aardgasinkomsten via het Fonds Economische Structuurversterking (FES). Er zou meer overheidsgeld moeten worden gereserveerd voor energie-onderzoek. De Raad wacht met belangstelling de aangekondigde nieuwe initiatieven in het kader van de Wet Energiebesparing Toestellen af.
Met een hoge energie-efficiency op korte termijn en een zo groot mogelijke inzet van duurzame energie op langere termijn levert Nederland volgens de Raad zijn bijdrage aan de vermindering van het risico op klimaatverandering door het versterkte broeikaseffect. Een internationale aanpak van dit probleem staat voor de Raad voorop.
Voor de elektriciteitssector vindt de AER verlaging van de productiekosten de eerste prioriteit bij reorganisatie van de sector. De kosten van centrale elektriciteitsproductie door de vier grote elektriciteitsproducenten zijn te hoog vergeleken bij nieuw te bouwen warmte/kracht-centrales. Uitbreiding van de decentrale capaciteit in de vorm van warmte/kracht heeft geleid tot een overcapaciteit voor centrale elektriciteitsproductie. Het ligt voor de hand dat grote afnemers die de keuze hebben in een vrije markt geen centraal geproduceerde, relatief dure stroom zullen willen afnemen. Gebonden klanten, die niet kunnen kiezen, zouden dan voor de niet-afgeschreven investeringen opdraaien. Bovendien kan door de ontstane situatie van overcapaciteit en hoge kosten de vorming van het beoogde Gemeenschappelijk Productie Bedrijf in gevaar komen. De AER adviseert lange termijn investeringen apart onder te brengen, zodat de kosten hiervan niet meer hoeven worden verrekend in de elektriciteitsprijs. Verder adviseert de AER verdere vrijmaking van de binnenlandse elektriciteitsmarkt zorgvuldig af te stemmen op de situatie in het buitenland. Daarmee moet de nadelige situatie worden voorkomen dat Nederlandse energiebedrijven concurrentie ondervinden van buitenlandse bedrijven op de Nederlandse markt, terwijl dat omgekeerd niet het geval is.
De Nota volgt het AER-advies over gasbeleid van 1995. Dit advies houdt in dat de voorzieningszekerheid voor 25 jaar moet worden gegarandeerd. Daarvoor zijn nieuwe importcontracten door Gasunie niet nodig. Als Gasunie actief wil zijn op de internationale im- en exportmarkt heeft zij wel een 'handelsvoorraad' nodig. Dan is het logisch dat tegenover exportverplichtingen ook importverplichtingen staan. De AER vindt dat een handelsvoorraad in het Plan van Gasafzet kan worden gereserveerd als de binnenlandse voorziening is gegarandeerd.
De Nota noemt het 'Energiebericht' het belangrijkste toekomstige
toetsingskader voor de ontwikkelingen in de energiesector. De AER meent
dat een wettelijk ingrijpen van de overheid in de energievoorziening
mogelijk moet zijn op basis van het Energiebericht. De wettelijk status
van het Energiebericht moet daarom nog worden uitgewerkt.