Resultaten Milieu Actie Plan in 1996

Berichten uit
1997
Sinds 1991 levert de energiedistributiesector een bijdrage aan het tegengaan van het broeikaseffect en verzuring, door het uitvoeren van het Milieu Actie Plan (MAP). In 1994 zijn de doelen aangescherpt in het tweede Milieu Actie Plan. Het tweede MAP beoogt in het jaar 2000 een reductie in CO2-uitstoot te bereiken van 17 miljoen ton ten opzichte van 1990. Dit betekent in termen van verzuring een reductie van 270 miljoen zuur-equivalenten en in termen van bespaarde primaire energie een reductie van 212 PJ. Voor het bereiken van deze doelstellingen wordt per doelgroep een maatregelenpakket en een besparingsdoelstelling vastgesteld. Doelgroepen aan de verbruikskant zijn de huishoudens, de utiliteitsbouw en de industrie en aan de productiekant de warmtemarkt, nieuwe technologieën (waaronder duurzame energie) en stortgas.

In mei 1997 publiceert EnergieNed de resultaten van het MAP over 1996. De resultaten liggen hoger dan in 1995. In 1996 is bijna 15% van de MAP doelstelling voor het jaar 2000 gerealiseerd. De in 1996 gestimuleerde maatregelen zullen in het jaar 2000 resulteren in een uitstootreductie van 2,5 miljoen ton CO2 en 40 miljoen zuur-equivalenten. Hiermee hebben de energiedistributiebedrijven een besparing van 32,6 PJ gerealiseerd, wat overeenkomt met 1,8% van het energiegebruik dat de energiedistributiebedrijven kunnen beïnvloeden. In onderstaande tabel is per doelgroep de beoogde en gerealiseerde CO2-reductie weergegeven.

Beoogde en gerealiseerde CO2-reductie in duizend ton


  Doelstelling
2000
Realisatie
1996
Realisatie
1991-1996

Huishoudens 3.200 446 2.306 72%
Utiliteitsgebouwen 1.800 290 902 50%
Industrie 1.300 61 165 13%
Warmtemarkt 7.600 1.348 5.697 75%
Duurzame energie 1.100 178 414 38%
Overige nieuwe technologieën 500 3 363 73%
Stortgas 1.700 173 1.123 66%
 



Totaal 17.000 2.498 10.970 65%

Bron: Resultaten MAP Energiedistributiesector 1996, EnergieNed, Arnhem, 1997.

Voor de doelgroep huishoudens blijft de besparing op koers. De resultaten zijn bereikt met maatregelen op diverse gebieden. Voor verwarming betreft het subsidies voor isolatiemaatregelen en, tot 1 juli 1996, HR-ketels. Verder stimuleren de energiebedrijven de aankoop van energiezuinige producten zoals spaarlampen, spaardouches, zuinige koel- en vrieskasten en de vervanging van elektrische boilers door aardgasgestookte warmwater apparatuur. Tenslotte wordt energiezuinig gedrag gestimuleerd, bijvoorbeeld door de actie 'Zuinig Stoken Zuinig Aan'. Ook in de utiliteitsbouw is een verbetering te constateren en komen investeringen in energiebesparing langzaam van de grond. Maatregelen richten zich ook hier op verwarming, verlichting en gedragsmatige besparing ofwel 'beter huishouden'. In de industrie, toegevoegd als doelgroep in 1994, blijven de inspanningen nog altijd beperkt. Bij de glastuinbouw en de overige industrie zijn de beste resultaten geboekt.

De grootste bijdrage aan het resultaat van 1996 komt, net als in 1995, uit de warmtemarkt. De maatregelen liggen op het gebied van de warmte/kracht-koppeling en warmtedistributie. De doelstelling voor duurzame energie staat gelijk aan het opwekken van 2,8% van de vraag naar elektriciteit op een duurzame manier. Met het totaal aan duurzaam vermogen dat tot en met 1996 is geplaatst, kan 1,1% van de vraag naar elektriciteit in het jaar 2000 worden opgewekt. Tenslotte is er een groei te zien in de bijdrage van stortgas aan de MAP-doelstelling. Bij stortgas wordt methaan bruikbaar gemaakt voor de energievoorziening. Aangezien de uitstoot van een ton methaan even belastend voor het milieu is als de uitstoot van 21 ton CO2 en er bovendien bespaard wordt op een andere energievorm, is het stimuleren van stortgas de moeite waard.

De stimuleringsmaatregelen voor de verschillende doelgroepen worden gefinancierd uit de speciale MAP-toeslag op de tarieven. In 1996 hebben de energiedistributiebedrijven uit deze toeslag ruim 268 miljoen gulden ontvangen. Hiervan is 207 miljoen gulden besteed aan de stimulering van energiebesparende maatregelen en aan de kosten voor de uitvoering. Een aantal bedrijven heeft ook eigen middelen ingezet, andere bedrijven hebben niet alle middelen kunnen besteden en bewaren deze als reservering voor toekomstige activiteiten


Terug naar thema Energiedistributie 1997