Ernstige stroomstoring treft Midden-Nederland

Berichten uit
1997
Op 23 juni treedt een ernstige stroomstoring op in Midden-Nederland en wel in het Flevo/Gelderland/Utrecht-deelnet (FGU). Een week na de stroomstoring weet Sep nog geen enkel technisch mankement aan de productiekant aan te wijzen. Na twee maanden presenteert directeur Ketting van Sep namens de betrokken bedrijven (Sep, EPON, UNA en de twee distributiebedrijven NUON en REMU) een onderzoeksrapport. De storing is te wijten aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden, met name de opgetreden technische storingen.

Uit het rapport blijkt dat drie centrales (Merwedekanaal-12 en -10 bij Utrecht en Flevo-30) het kort na elkaar laten afweten; de eerste centrale kort voor 9 uur. De twee Merwedekanaal-centrales hebben last van branderstoringen in de gasturbines; de Flevo-30-centrale gaat buiten bedrijf door een niet-functionerende turbineregelpomp, als gevolg van een softwarefout. Doordat de drie eenheden tegelijkertijd uitvallen, vraagt het FGU-net zoveel van het 380 kV-koppelnet dat koppeltransformatoren in Doetinchem en Dodewaard overbelast raken. Om verdere overbelasting te voorkomen, schakelen ook andere eenheden af. Om 10.11 uur is in het hele FGU-net geen productievermogen meer in bedrijf noch beschikbaar. Uiteindelijk schakelt NUON om 10.13 uur het deelnet Utrecht af om te voorkomen dat heel Midden-Nederland zonder stroom komt te zitten. Vanaf 10.14 uur begint stapsgewijs het herstel. Rond 15.00 uur is dit herstel 90%; na 16.00 uur is het herstel compleet.

Sep zal verder onderzoeken of de communicatie met de distributiebedrijven kan worden verbeterd. Het bouwen van extra vermogen ter voorkoming van dit soort storingen wordt onwenselijk geacht. Het Nederlandse elektriciteitsnet is het betrouwbaarste in Europa -- aldus een analyse van het Rathenau Instituut -- en mogelijk zelfs in de hele wereld, zo wordt gesteld. Sep acht herhaling van een dergelijke storing op korte termijn hoogst onwaarschijnlijk. Wel nemen de betrokkenen een aantal maatregelen zoals een handmatige belastingafschakeling via transformatoren, een directe communicatielijn tussen REMU en NUON, uitgebreidere procedures voor de communicatie tussen de bedrijfsvoerders en specifieke training voor dit soort grote spanningsdalingen.

De stroomstoring komt ook in de Tweede Kamer aan de orde. Al op 24 juni stelt het CDA-kamerlid Lansink vragen aan de Minister. Eén van de vragen betreft het opnemen van waarborgen in de nieuwe Elektriciteitswet om dergelijke stroomstoringen te voorkomen of te herstellen. De Minister licht uiteindelijk eind november de Tweede Kamer in over het onderzoeksrapport van de betrokken bedrijven, na het bekend worden van de bevindingen van een onafhankelijke commissie. Deze commissie onderstreept de conclusies uit het onderzoeksrapport. De Minister ziet geen reden om aan te nemen dat de betrouwbaarheid van de elektriciteitsvoorziening als gevolg van de komende liberalisering nadelige gevolgen zal ondervinden. Hij spreekt zich niet uit over het wel of niet honoreren van aan de bedrijven gerichte schadeclaims van gedupeerden. Eerder bevestigt in mei de Hoge Raad een arrest van het Haagse Gerechtshof dat de bedrijven de aansprakelijkheid voor dit soort schade niet mogen uitsluiten voor de particuliere klanten.

Het betrokken distributiebedrijf REMU heeft medio augustus bijna 2500 schadeclaims binnen; 850 van particulieren (waarvan 550 klanten) en 1500 bedrijven, maar maakt begin oktober bekend geen schadevergoeding uit te keren, omdat 'er sprake was van overmacht'. De Geschillencommissie Openbare Nutsbedrijven doet in 1998 uitspraak over aan haar voorgelegde kwesties.


Terug naar thema Elektriciteitsproductie 1997