Nota Milieu en Economie

Berichten uit
1997
De Ministers van VROM, EZ, LNV en V&W sturen in juni de nota Milieu en Economie aan de Tweede Kamer. De nota geeft de volgende stap aan van de overheid in de richting van duurzame economische ontwikkeling. Daarvoor is een absolute ontkoppeling nodig van milieudruk en economische groei, dat wil zeggen economische groei gecombineerd met een daling van de milieudruk. De nota beschrijft de concrete acties en financiële prikkels waarmee het kabinet dit wil bereiken, voor de drie sectoren industrie en diensten, landbouw en landelijk gebied en verkeer, vervoer en infrastructuur.

Het kabinet wil economische groei, versterking van de concurrentiekracht en toename van de werkgelegenheid combineren met een zorgvuldig natuur- en milieubeheer en een aanmerkelijke vermindering van de inzet van fossiele brandstoffen van grondstoffen. Het kabinet ziet hiertoe mogelijkheden in een verschuiving naar kennisintensieve activiteiten: informatie- en communicatietechnologie, multimedia en persoonlijke en zakelijke dienstverlening.

De nota beschrijft ten eerste een aantal 'boegbeelden': tot de verbeelding sprekende projecten van overheid en bedrijfsleven samen, die als inspiratiebron de milieu-efficiëntie moeten vergroten. Een voorbeeld daarvan is de ontwikkeling van een Wereldtop-protocol: internationale vergelijking van de milieuprestaties van de industrie, aangeduid met de Engelse term 'benchmarking'. Groepen bedrijven verplichten zich daarbij tot de wereldtop in energie-efficiency te behoren, of anders aanvullende maatregelen te nemen. De overheid zal dan geen aanvullende specifieke nationale maatregelen eisen voor energiebesparing en CO2-reductie. Een onafhankelijke instantie zal de vergelijkende analyse moeten doen. Voor de uitwerking van het concept trekt het kabinet f. 3 miljoen uit van 1998 tot 2003. De meest energie-intensieve bedrijven zal worden gevraagd toe te treden. Verder zijn er onder meer gezamenlijke acties op het gebied van strategisch bedrijfsmanagement en er is veel aandacht voor verkeer en vervoer.

Ten tweede voert het kabinet een generiek overheidsbeleid. Onder andere wil het als marktpartij via het aanschafbeleid van de overheid een duurzame economie stimuleren. De technologieprogramma's EET en Duurzame Technologie-ontwikkeling worden uitgebreid en voortgezet. Nieuw is de first-mover faciliteit om projecten met een meer dan normaal technisch risico financieel haalbaar te maken, met een budget van f. 30 miljoen voor de periode tot 2003. Ook richt het beleid zich op prijzen en tarieven. Voorbeelden daarvan zijn een BTW-verlaging voor milieusparende goederen en diensten, hogere milieubelastingen, lagere directe belastingen op arbeid, fiscale vergroening en verhandelbare emissierechten. Verder wil de overheid door investeringen in infrastructuur en ruimte meer kansen creëren voor multimodaal vervoer, transport over water en warmte- en koudeopslag.

Ten derde beschrijft de nota een dertigtal perspectieven, richtingen waarin de economie zich duurzaam kan ontwikkelen. Veelal betreft het initiatieven uit de sectoren zelf die door de overheid worden ondersteund.

De reacties op de nota zijn verschillend. De oppositiepartijen CDA en GroenLinks, de milieuorganisaties Stichting Natuur en Milieu en de Vereniging Milieudefensie en de vakbeweging reageren teleurgesteld op de nota. Als punten van kritiek worden genoemd dat de nota geen werkelijke keuzen maakt, teveel op technologische oplossingen bevat en dat belangrijke onderwerpen ontbreken (zoals een nieuwe Maasvlakte, de intensieve veehouderij en de luchtvaart). De regeringspartijen PvdA, D66 en VVD zijn tevreden met de nota. Werkgeversorganisatie VNO-NCW is geen voorstander van hogere energiebelastingen, evenmin als de vereniging MKB-Nederland, maar is voor het overige tevreden met de nota.


Terug naar thema Overheid en energiebeleid 1997