Voorstel Elektriciteitswet naar Tweede Kamer |
Berichten uit 1997 |
In de conceptwet loopt de vrijmaking in drie stappen. Grootverbruikers zijn vanaf de ingang van de wet al vrij in de keuze van hun leverancier; vanaf de beoogde invoering in 1998. Met ingang van 2002 geldt dit ook voor de middelgrote gebruikers. De kleinverbruikers volgen op 1 januari 2007. Daarmee gaat het wetsvoorstel verder dan in de Europese richtlijn uit 1996 is vereist.
De vrije status houdt ook het recht in elektriciteit uit het buitenland af te nemen. In het wetsvoorstel is opgenomen dat import uit een andere lidstaat kan worden tegengehouden bij ministeriële beschikking, wanneer deze lidstaat zijn markt formeel niet evenzeer geopend heeft voor Nederlandse elektriciteit als andersom (reciprociteit). Wanneer formeel van dezelfde mate van marktopening sprake is, kan import niet worden tegengehouden op basis van praktische handelsbelemmeringen, zoals hoge transporttarieven. Wel kan dan een klacht worden ingediend bij de Europese Commissie. De Raad van State merkt in zijn advies bij het wetsvoorstel op dat zo'n importverbod mogelijk in strijd is met de Europese wetgeving. Volgens de Raad geeft de Europese richtlijn alleen de ruimte voor een importverbod wanneer het gemeenschappelijk belang van de lidstaten in het geding is.
In het voorstel van wet gaat de toegang tot het elektriciteitsnet via gereguleerde toegang, regulated Third Party Access genoemd. Netbeheerders zullen de tarieven en de technische voorwaarden voor het transport over hun netten moeten publiceren.
Om vrije toegang, zonder onderscheid, te garanderen, zou het beheer van het elektriciteitsnetwerk moeten worden gescheiden van het eigendom van dat deel van het net, de productie en de handel. Het netbeheer moet volgens het wetsvoorstel worden ondergebracht in een afzonderlijke vennootschap. Een onafhankelijke toezichthouder, de op te richten Dienst Toezicht Elektriciteit (DTE), zou toezicht houden op de capaciteit en betrouwbaarheid van het net. Deze dienst zou op termijn een Zelfstandig Bestuursorgaan moeten worden, dat met een eigen wettelijke positie op grote afstand van de Minister functioneert.
Afnemers die nog niet vrij zijn, zijn beschermd. Zij zijn gebonden aan een vaste leverancier (een van de huidige distributiebedrijven). Deze heeft voor levering aan gebonden afnemers een vergunning nodig. De Minster zou moeten instemmen met eigendomsveranderingen of wijzigingen van de vergunning. Privatisering zal de Minister voorlopig niet toestaan. Vergunninghouders moeten elke twee jaar een dekkingsplan maken voor de komende vijf jaar: een prognose van de elektriciteitsvraag van beschermde afnemers en een plan hoe zij aan die vraag gaan voldoen. De Dienst Toezicht Elektriciteit houdt ook toezicht op de levering aan gebonden afnemers.
Het netwerktarief, dat geldt voor zowel vrije als gebonden afnemers, wordt in het voorstel door de DTE vastgesteld op voorstel van de gezamenlijke netbeheerders. Voor vrije klanten komt bovenop het nettarief de marktprijs. Het leveringstarief dat voor gebonden afnemers bovenop het nettarief komt, zou worden vastgesteld door de Minister van EZ. Daarbij zijn de huidige tarieven van elk distributiebedrijf het uitgangspunt, met een jaarlijks mutatiepercentage voor de ontwikkeling van kosten en efficiency-verbetering.
Het wetsvoorstel besteedt ook aandacht aan duurzame energie en energiebesparing. Producenten en leveranciers (groter dan 10 GWh) krijgen als algemene taak zich in te zetten voor duurzame energie en energiebesparing en moeten hiervan tweejaarlijks verslag uitbrengen. Er is een regeling opgenomen voor de teruglevering van duurzaam opgewekte elektriciteit. Met behulp van een certificatensysteem kunnen afnemers vanaf 2001 verplicht worden tot een minimumaandeel duurzame elektriciteit. Een afnemer of vergunninghouder zou jaarlijks certificaten ter waarde van een bepaalde hoeveelheid duurzaam opgewekte stroom moeten kunnen laten zien. Deze certificaten kunnen worden gekocht bij een producent van groene stroom. Bij voldoende handel kan zo een aparte beurs voor certificaten ontstaan. De Minister kondigt een Energiebesparingsnota aan die begin 1998 het licht moet zien, waarin het instrumentarium voor bevordering van energiebesparing in een vrije markt wordt besproken.
Energiedistributiebedrijven worden volgens het voorstel voor al hun activiteiten vennootschapsbelastingplichtig. Het belastingspercentage zal in fasen worden opgevoerd tot 35% van de winst in 2007.
Het wetsvoorstel laat ruimte voor een elektriciteitsbeurs, al zal waarschijnlijk het grootste deel van de elektriciteit via contracten worden verhandeld. EnergieNed laat naar de mogelijkheden voor een elektriciteitsbeurs een studie verrichten, waarbij ook vertegenwoordigers zijn betrokken van EZ, Sep, de elektriciteitsproductie- en distributiesector, het bedrijfsleven en de Amsterdamse effectenbeurs. Op basis van de uitkomst start in september een handelssimulatie. De bedoeling is dat een echte elektriciteitsbeurs in 1998 wordt opgericht.
Parallel aan de totstandkoming van de nieuwe elektriciteitswet zijn de Nederlandse elektriciteitsproducenten in overleg over de bundeling van hun krachten in het Grootschalig Productiebedrijf (GPB).
De distributie- en productiebedrijven zijn het in het algemeen eens met de strekking van het wetsvoorstel, maar uiten kritiek op onderdelen. EnergieNed vindt voor een afdoende scheiding van netbeheer en commerciële activiteiten juridische opsplitsing niet nodig. De organisatie pleit voor vaststelling van de tarieven door de distributiebedrijven met een landelijk maximum als grens. Ook vindt EnergieNed dat gedeeltelijke privatisering, tot een derde van het aandelenbezit, al in de overgangsfase zou moeten worden toegestaan. De elektriciteitsproducenten en Sep menen dat het netbeheer aan strengere regels wordt gebonden dan in andere Europese landen en het beoogde GPB daarmee zo weinig bedrijfseconomische vrijheid overhoudt dat dit tot een internationale achterstandspositie leidt. Verder betwijfelen de producenten of het wetsvoorstel voldoende bescherming biedt tegen dumping van elektriciteit uit het buitenland.
De vereniging voor het midden- en kleinbedrijf, MKB-Nederland, wier leden voor het grootste deel gebonden klanten zijn, vreest voor hun concurrentiepositie ten opzichte van het grootbedrijf en pleit voor gelijktijdige vrijmaking van alle categorieën verbruikers. De verenigingen van grootverbruikers, SIGE en Krachtwerktuigen, vinden de voorgestelde positie van de toezichthouder onvoldoende onafhankelijk en pleiten voor opname in de nieuw opgerichte Nederlandse Mededingingsautoriteit. Ook menen zij dat het voorstel niet waarborgt dat de kosten en tarieven zo laag mogelijk zullen blijven en vrezen zij toeslagen ten behoeve van duurzame energie of onrendabele projecten ('bakstenen').
De oorspronkelijke streefdatum voor de invoering van de wet, 1 januari
1998, wordt niet gehaald. Het wetsvoorstel wordt begin 1998 in de Tweede
Kamer behandeld. Er wordt een groot aantal amendementen ingediend, die
zich vooral richten op het beginsel van reciprociteit, de tarieven, de
positie van het GPB en van kleine afnemers, de taken van de netbeheerder
en de prikkels voor investeringen in duurzame energie en
energiebesparing. Een deel van de amendementen wordt aangenomen; dit
leidt tot enkele belangrijke aanpassingen in het wetsvoorstel. Deze
zullen worden beschreven in het Energie Verslag Nederland 1998. De
uiteindelijke Elektriciteitswet wordt waarschijnlijk per 1 januari 1999
ingevoerd.I