Energieraad akkoord over Europese gasrichtlijn

Berichten uit
1997
In mei lukt het de Energieraad, de vergadering van Energieministers van de Europese Unie, onder het Nederlands voorzitterschap niet tot overeenstemming te komen over een richtlijn voor de interne markt voor gas. Een extra vergadering in oktober is nodig om de belangrijkste knelpunten nogmaals te bespreken. In december worden de Ministers het eens over het voorstel dat zij aan het Europees Parlement ter goedkeuring zullen voorleggen.

De gasrichtlijn stelt de Europese regels volgens welke de zogeheten vrije afnemers zelf hun leveranciers mogen kiezen, in binnen- of buitenland. De belangrijkste punten zijn de mate en wijze van marktopening, take-or-pay contracten en de opkomende markten. Voor de marktopening worden minimumpercentages gesteld en volumegrenzen. De minimumpercentages gelden het deel van de markt dat vrij moet zijn: 20% van de nationale gasmarkt bij de start, 28% na vijf jaar en 33% na tien jaar. Om het minimumpercentage te realiseren, zullen in elk geval elektriciteitscentrales moeten worden aangewezen als vrije klanten. Verder gelden de volumegrenzen; klanten van wie de afname boven de volumegrens uitkomt, moeten worden aangewezen als vrije klanten. Mocht dit leiden tot een overschrijding van het minimumpercentage met meer dan 10%, dan mag de lidstaat de aanwijzing van vrije klanten beperken. De volumegrenzen zijn 25 miljoen m3/jaar bij de start, 15 miljoen m3/jaar na vijf jaar en 5 miljoen m3/jaar na tien jaar. Warmte/kracht is in de gasrichtlijn aangewezen als vrije klant, maar in bepaalde gevallen mogen lidstaten hiervoor een drempel vaststellen. Dit moet wel aan de Europese Commissie worden gemeld.

Take-or-pay is het soort contracten dat momenteel gebruikelijk is in de gassector. Gasmaatschappijen verplichten zich daarbij tot het afnemen van een bepaalde hoeveelheid gas. Wanneer zij in een vrije markt hun afnemers kwijtraken aan een concurrent, kan zo'n contract hen in financiële problemen brengen. In het voorstel is opgenomen dat ondernemingen die in ernstige economische en financiële moeilijkheden komen om een uitzondering mogen verzoeken. Zowel de lidstaat als de Europese Commissie spelen een rol bij de beoordeling van zo'n verzoek.

Met betrekking tot opkomende markten is de kwestie dat daar nog geen of weinig infrastructuur voor het transport van gas is. Het aanleggen van gasleidingen vergt grote investeringen, die voor gasbedrijven niet aantrekkelijk zijn wanneer zij geen garanties hebben deze te kunnen terugverdienen. In een opkomende markt zijn leveranciers sterk afhankelijk van specifieke klanten, omdat het ontbreken van infrastructuur het onmogelijk maakt uit te wijken naar andere klanten. Voor dergelijke regio's zou een uitzondering op de gasrichtlijn moeten worden gemaakt. Afgesproken is dat de Commissie aan de hand van een aantal criteria uitzonderingen zal verlenen.

Naast deze grote punten spelen nog enkele andere kwesties. De regels met betrekking tot vergunningverlening voor de aanleg en het beheer van distributienetten, onderwerp van veel discussie, hoeven niet te worden toegepast wanneer bedrijven een openbare dienstverplichting uitvoeren. Gashandelaren en gasleveranciers moeten een gescheiden interne boekhouding voeren voor opslag, transmissie, distributie en niet-gasactiviteiten. Productie-activiteiten hoeven niet gescheiden te worden. De richtlijn wordt in het voorstel ook niet van toepassing op gasproductieleidingen (upstream leidingen). Deze moeten in principe wel toegankelijk zijn, maar de invulling daarvan wordt overgelaten aan de lidstaten.


Terug naar thema Overheid en energiebeleid 1997