Discussienotitie Gasstromen

Berichten uit
1997
In december brengt het Ministerie van EZ de discussienotitie Gasstromen uit. De notitie bevat de hoofdlijnen van de Aardgaswet die in 1998 tot stand moet komen. De notitie schetst de route naar de vrije markt voor gas, die bestaat uit drie stappen. Vanaf het begin zijn de grootste afnemers vrij, zij die meer dan tien miljoen m3 aardgas per jaar afnemen. Deze klanten zijn ook nu al vrij in het kiezen van hun gasleverancier en vormen samen zo'n 46% van de markt. De groep afnemers met een verbruik tussen de 170 duizend en 10 miljoen m3, 18% van de markt, volgt per 1 januari 2001. De kleinverbruikers tenslotte mogen vanaf 1 januari 2007 zelf hun leverancier kiezen. Daarmee valt de volledige vrijmaking van de markt voor aardgas samen met die voor elektriciteit. De notitie sluit aan bij de ontwerprichtlijn voor de vrije gasmarkt die de EU-Ministerraad begin december vaststelde.

In Gasstromen kiest het Ministerie voor de onderhandelde toegang tot het gasnet. Volgens de ontwerprichtlijn van de EU mogen de lidstaten kiezen tussen onderhandelde of gereguleerde toegang tot het aardgasnet. In de verwachting dat de meeste lidstaten zullen kiezen voor onderhandelde toegang wil de Minister de Nederlandse neteigenaren niet aan strengere regels onderwerpen. Het toezicht op het netbeheer zal worden uitgeoefend door de juist ingestelde Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa); er behoeft geen aparte netbeheerder worden aangesteld. Ook hoeft het transport van gas niet juridisch te worden gescheiden van andere activiteiten, zoals winning en opslag; een boekhoudkundige scheiding is volgens Gasstromen voldoende.

Voor de levering aan nog gebonden klanten is een vergunning nodig. De vergunningen zullen worden verstrekt op basis van de situatie per juli 1996. Het toezicht op de levering aan gebonden klanten berust bij de Minister van EZ. De Minister kan het mandateren aan dezelfde dienst die volgens de ontwerp-Elektriciteitswet het toezicht houdt op de levering aan gebonden klanten van elektriciteit. Deze ambtelijke dienst zou dan Dienst Toezicht Energie gaan heten. Vergunninghouders hebben leveringsplicht en mogen de door de Minister gestelde tarieven niet overschrijden. Voor gebonden afnemers moeten zij een aparte boekhouding voeren, zich houden aan algemene leveringsvoorwaarden en zij moeten gegevens en inlichtingen verstrekken aan de Minister of de toezichthouder. Uitgangspunt bij het toezicht op de tarieven is dat deze gebaseerd worden op de inkoopprijs van gas, vermeerderd met de distributiekosten en een bescheiden marge. De distributiebedrijven mogen dus de kosten die zij maken voor de inkoop van gas aan de gebonden klanten doorberekenen. Omdat het Plan van Gasafzet van de Gasunie voldoende aanbod van gas aan de vergunninghouders garandeert, hoeven de vergunninghouders vooralsnog geen dekkingsplan te maken om aan te geven hoe zij de gebonden klanten van gas zullen voorzien. Bij de evaluatie van de Aardgaswet zal worden bezien of toch een dekkingsplan nodig is.

De Wet Energiedistributie en de Wet Aardgasprijzen zullen waarschijnlijk aan de nieuwe Aardgaswet moeten worden aangepast. Het voornemen bestaat te bezien of de Elektriciteitswet, de Aardgaswet en de Wet Energiedistributie op een of andere wijze kunnen worden geïntegreerd.

Met betrekking tot energiebesparing komt in de nieuwe Aardgaswet, net als in de nieuwe Elektriciteitswet, een bepaling die regels stelt aan de besluitvorming over de aanleg van een distributienetwerk voor gas op nieuwe locaties. De voor- en nadelen van gas, elektriciteit of warmte moeten zorgvuldig worden afgewogen met het oog op een betrouwbare, duurzame, doelmatig functionerende energiehuishouding. Verder wordt de leveranciers aan eindverbruikers verplicht energiebesparing en uit milieuoogpunt verantwoord gebruik van aardgas te bevorderen. Daarvan moeten zij elke twee jaar verslag uitbrengen.


Terug naar thema Overheid en energiebeleid 1997