Meerjarenafspraken Energiebesparing |
Berichten uit 1997 |
In totaal zijn er per 1 december 1997 29 MJA's met de industrie afgesloten en 9 met andere sectoren. De dekkingsgraad van de MJA's bedraagt in de industrie nu ongeveer 90% van het verbruik (grondstoffen niet meegerekend), in de utiliteitsbouw 30% en in de land- en tuinbouw 80%.
Jaarlijks worden de vorderingen gepubliceerd. Daaruit blijkt dat in 1996 de energie-efficiency in de industriële sectoren met 12,5% is verbeterd ten opzichte van 1989. Eind 1995 was dat percentage 10%. Geconstateerd wordt dat de in 1995 opgelopen vertraging in 1996 is ingehaald en dat de doelstelling van 20% in het jaar 2000 binnen bereik is. De verschillen in resultaten tussen de verschillende branches in de industrie zijn groot. De resultaten in de lichte industrie blijven sterk achter bij het gemiddelde. Bij de energieconversiebedrijven liggen de raffinaderijen achter op schema, maar heeft de olie- en gaswinningsindustrie haar doelstelling voor 2000 reeds bereikt.
Door de Universiteit Utrecht is een evaluatieonderzoek naar het instrument Meerjarenafspraken verricht, waarvan de resultaten door het Ministerie van Economische Zaken in november zijn gepubliceerd. Geconcludeerd wordt dat dankzij de MJA's de behaalde efficiency-verbetering verdubbeld is (dat wil zeggen zonder MJA's zou waarschijnlijk slechts de helft gerealiseerd zijn). Sectoren en bedrijven die meedoen aan een MJA blijken gemotiveerd geraakt om aandacht te besteden aan energiebesparing, ondanks de lage energieprijzen. Men ziet beter dan voorheen welke rendabele besparingsmogelijkheden er zijn. Voor de lichte industrie zou volgens de onderzoekers de milieuvergunning, als 'stok achter de deur', een belangrijker rol gaan vervullen. Het algemene oordeel over de MJA's is positief, ook wat betreft de voortzetting na het jaar 2000. Voor het vervolg van de MJA's wordt meer uniformiteit in de monitoringsystematiek als vereiste gezien. Een grotere openheid over de bereikte resultaten en meer inzicht in de mate waarin de bedrijven 'doen wat ze kunnen', wordt wenselijk geacht.
Er vinden gesprekken plaats met de sectoren over de na 2000 beschikbare
besparingsopties. Duidelijk is daarbij al dat besparingsopties die
gebaseerd zijn op de huidige stand van de techniek dan voor een
belangrijk deel zijn uitgeput. Om het huidige tempo van energiebesparing
te continueren en liefst nog te versnellen zijn technologische
vernieuwingen nodig en/of moet er over de grenzen van het eigen bedrijf
heen gekeken worden. Bij dat laatste wordt gedacht aan integraal
ketenbeheer, dematerialisatie en duurzame bedrijfsterreinen.