Meerjarenafspraken Energiebesparing

Berichten uit
1997
Sinds 1992 worden Meerjarenafspraken (MJA's) gemaakt voor energiebesparing, met industriële en agrarische branches en subsectoren in de dienstverlening en energieconversie. MJA's zijn vrijwillige afspraken tussen het Ministerie van Economische Zaken en de betreffende branche over het leveren van een inspanning om de energie-efficiency binnen een overeengekomen termijn met een specifiek percentage te verbeteren (in de meeste gevallen 20%, in de periode 1989-2000). In 1997 zijn geen nieuwe MJA's afgesloten. Wel is de MJA overige industrie, die open staat voor bedrijven met een groot energiegebruik (minstens 0,1 PJ) die niet zijn aangesloten bij een branche-organisatie, uitgebreid met zestien grote bedrijven. In juli hebben de Nederlandse Spoorwegen met EZ en Novem een intentieverklaring getekend om binnen 18 maanden te komen tot een MJA.

In totaal zijn er per 1 december 1997 29 MJA's met de industrie afgesloten en 9 met andere sectoren. De dekkingsgraad van de MJA's bedraagt in de industrie nu ongeveer 90% van het verbruik (grondstoffen niet meegerekend), in de utiliteitsbouw 30% en in de land- en tuinbouw 80%.

Jaarlijks worden de vorderingen gepubliceerd. Daaruit blijkt dat in 1996 de energie-efficiency in de industriële sectoren met 12,5% is verbeterd ten opzichte van 1989. Eind 1995 was dat percentage 10%. Geconstateerd wordt dat de in 1995 opgelopen vertraging in 1996 is ingehaald en dat de doelstelling van 20% in het jaar 2000 binnen bereik is. De verschillen in resultaten tussen de verschillende branches in de industrie zijn groot. De resultaten in de lichte industrie blijven sterk achter bij het gemiddelde. Bij de energieconversiebedrijven liggen de raffinaderijen achter op schema, maar heeft de olie- en gaswinningsindustrie haar doelstelling voor 2000 reeds bereikt.

Door de Universiteit Utrecht is een evaluatieonderzoek naar het instrument Meerjarenafspraken verricht, waarvan de resultaten door het Ministerie van Economische Zaken in november zijn gepubliceerd. Geconcludeerd wordt dat dankzij de MJA's de behaalde efficiency-verbetering verdubbeld is (dat wil zeggen zonder MJA's zou waarschijnlijk slechts de helft gerealiseerd zijn). Sectoren en bedrijven die meedoen aan een MJA blijken gemotiveerd geraakt om aandacht te besteden aan energiebesparing, ondanks de lage energieprijzen. Men ziet beter dan voorheen welke rendabele besparingsmogelijkheden er zijn. Voor de lichte industrie zou volgens de onderzoekers de milieuvergunning, als 'stok achter de deur', een belangrijker rol gaan vervullen. Het algemene oordeel over de MJA's is positief, ook wat betreft de voortzetting na het jaar 2000. Voor het vervolg van de MJA's wordt meer uniformiteit in de monitoringsystematiek als vereiste gezien. Een grotere openheid over de bereikte resultaten en meer inzicht in de mate waarin de bedrijven 'doen wat ze kunnen', wordt wenselijk geacht.

Er vinden gesprekken plaats met de sectoren over de na 2000 beschikbare besparingsopties. Duidelijk is daarbij al dat besparingsopties die gebaseerd zijn op de huidige stand van de techniek dan voor een belangrijk deel zijn uitgeput. Om het huidige tempo van energiebesparing te continueren en liefst nog te versnellen zijn technologische vernieuwingen nodig en/of moet er over de grenzen van het eigen bedrijf heen gekeken worden. Bij dat laatste wordt gedacht aan integraal ketenbeheer, dematerialisatie en duurzame bedrijfsterreinen.


Terug naar thema Overheid en energiebeleid 1997