Gedoogbeschikking in plaats van vergunning voor Borssele |
Berichten uit 1998 |
De vernietigde vergunningen dateren uit 1994 en 1996 en hebben respectievelijk betrekking op een aantal veiligheidsverhogende voorzieningen en systemen en op het wijzigen van de verrijkingsgraad van de splijtstof. Deze wijzigingen, waarop de vergunningen betrekking hadden, zijn reeds doorgevoerd. Als gevolg van de vernietigingen geldt echter voor de bedrijfsvoering van de kerncentrale de vergunning die gold vóór 2 augustus 1994, waarmee de praktijk niet meer overeenkomt. Om te zorgen dat de centrale niet met deze onvoldoende dekkende vergunning blijft doordraaien, wordt een gedoogbeschikking verleend. Dit gebeurt op basis van de vernietigde vergunningen, omdat de oorspronkelijke aanvraag inhoudelijk niet is afgekeurd. Daar zowel de exploitatie van de centrale als het toezicht en controle worden uitgevoerd alsof de vergunningen niet zijn vernietigd, is de veiligheid gewaarborgd.
De afgegeven gedoogbeschikking is in overeenstemming met de International Nuclear Safety Convention. In dit door Nederland ondertekende verdrag staat dat kerncentrales alleen actief mogen zijn met adequate vergunningen. In dit verdrag wordt onder een vergunning verstaan 'een door het regulerend lichaam aan de aanvrager verleende machtiging'. De afgegeven gedoogbeschikking valt ook onder deze omschrijving.
Het afgeven van nieuwe vergunningen zal, gezien de procedurele stappen
die gezet moeten worden, enige tijd duren. Tot de nieuwe vergunningen
van kracht zijn kan de centrale elektriciteit produceren op basis van de
nu afgegeven gedoogbeschikking. De kerncentrale zal zich daarbij houden
aan alle bepalingen omtrent bijvoorbeeld veiligheid en milieu, zoals die
opgenomen waren in de nu vernietigde vergunningen.