Discussie over al dan niet opwerken van Nederlands nucleair afval |
Berichten uit 1998 |
De kamervragen worden gesteld naar aanleiding van de melding die Greenpeace in juni maakt van de vondst van radioactief materiaal in de Ierse zee. In de nabijheid van de nucleaire opwerkingsfabriek Sellafield is op een diepte van 10 à 20 meter een modderbank aangetroffen met radioactief materiaal. Ook de gebruikte splijtstofelementen van de kerncentrale Dodewaard, die in 1997 buiten gebruik is gesteld, gaan naar Sellafield. Volgens het Ministerie van EZ is het lozen van radioactief materiaal een geaccepteerde werkwijze zolang de voorgeschreven limieten niet overschreden worden. De fabriek heeft in de periode 1989 tot en met 1995 de voorgeschreven limieten niet overschreden. Op grond van deze gegevens ziet de Minister geen reden om het huidige beleid van de elektriciteitssector, dat uitgaat van opwerking, te doen wijzigen. Er is om een aantal redenen in de zeventiger jaren door de eigenaren van de beide kerncentrales in Nederland voor opwerking gekozen. De argumenten waren deels energiepolitiek (hergebruik van grondstoffen) en deels milieu hygiënisch van aard (kernsplijtingsafval is in een glasmatrix verpakt). Ook waren er mogelijkheden om het afgescheiden plutonium op een nuttige wijze aan te wenden. Die mogelijkheden waren vooral gelegen in snelle kweekreactoren en het gebruik van zogenaamde Mixed Oxide splijtstofelementen in bestaande reactoren.
In het ECN-rapport 'Opwerking van Nederlands splijtstof -- een analyse'
wordt een vergelijking gemaakt tussen opwerking (de huidige werkwijze)
en directe opslag (een mogelijk alternatief). In de vergelijking wordt
ingegaan op de kosten, het effect op het milieu en de
non-proliferatie-aspecten van beide varianten. Mede op grond van dit
rapport ziet de regering geen reden om het beleid van de
elektriciteitssector ten aanzien van opwerking, te doen wijzigen.