AER-advies liberalisatie van de gassector |
Berichten uit 1998 |
De AER onderscheidt drie pijlers in het gasbeleid:
De AER pleit voor verkenning van andere mogelijkheden voor de bescherming van de gebonden klanten dan juridische binding, met het oog op de beperkte duur (tot uiterlijk 2007) en het geringe effect dat de AER ervan verwacht ten opzichte van de huidige situatie. Daarin is in de praktijk wel sprake van binding, maar juridisch gezien niet. De Raad is het eens met de keuze voor het systeem van onderhandelde toegang tot het transportnet, dat inhoudt dat een aanbieder van gas moet onderhandelen met de eigenaar van het transportnet om te worden toegelaten tot het net en om de transportprijs overeen te komen. De Raad is voorstander van actief toezicht op de toegang tot het net, om non-discriminatie te waarborgen. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) zou hiervoor moeten worden aangewezen, met daarnaast eventueel een aparte geschillencommissie, zolang de Staat nog is betrokken bij zowel de Gasunie als de NMa. Volgens de AER zou er duidelijker onderscheid moeten komen tussen infrastructuur en de daarmee samenhangende dienstverlening, zowel bij de Gasunie als bij de distributiebedrijven.
Volgens de AER is de gassector voor Nederland zozeer van belang, dat de liberalisering van de gasmarkt zorgvuldig en niet te snel moet verlopen. Er is tijd nodig om de gevolgen van liberalisering helderder in kaart te brengen en de Nederlandse besluitvorming moet in de tijd goed aansluiten op de Brusselse besluitvorming over de Europese gasrichtlijn.
Gezien de verschillen tussen elektriciteit en gas is de AER het eens met
het verschil in benadering van de liberalisering van de gas- en de
elektriciteitsmarkt. Overigens pleit de Raad ervoor dat de Gaswet zoveel
mogelijk aansluit bij de toekomstige elektriciteitswet en andere
bestaande energiewetgeving. Vier jaar na inwerkingtreding zou de wet
geëvalueerd moeten worden.