AER-advies liberalisatie van de gassector

Berichten uit
1998
De AER geeft in januari zijn reactie op de discussienotitie Gasstromen uit 1997, waarin EZ in hoofdlijnen het beleid schetst voor de liberalisering van de gassector. De AER legt in zijn advies de nadruk op de doelstellingen van het gasbeleid. In de notitie Gasstromen mist de AER een heldere aanduiding van het doel van de liberalisatie. De fundamentele discussie over de relatie tussen liberalisatie en de doelstellingen van het gasbeleid, die in de Derde Energienota is gestart, moet volgens de AER worden voortgezet, omdat het risico bestaat dat door liberalisering de huidige doelstellingen niet meer zullen worden gehaald.

De AER onderscheidt drie pijlers in het gasbeleid:

  • Gas als inkomstenbron. De liberalisatie kan effect hebben op de gasprijs en daarmee op de aardgasbaten. Gasunie moet de ruimte krijgen om internationaal op prijs te concurreren.
  • Gas als bodemschat. De AER vindt dat het gasreservebeleid moet worden voortgezet, evenals het kleine-veldenbeleid, dat inhoudt dat kleine gasvelden met voorrang worden gebruikt voor aardgaswinning en het Slochterenveld zo nodig wordt gebruikt als aanvulling. Hoe dit moet in een geliberaliseerde markt zou moeten worden aangegeven, met aandacht voor de herziening van de Mijnbouwwet. Wat betreft de informatie over de voorzieningszekerheid en het beheer van gas als bodemschat zou de overheid de rol van Gasunie moeten overnemen. Alle marktpartijen moeten worden verplicht tot het geven van informatie voor een jaarlijks verslag à la het Plan van Gasafzet.
  • Gas als energiedrager. Ter bevordering van een duurzame energievoorziening zou, analoog met de Elektriciteitswet, een mogelijkheid moeten bestaan tot het opleggen van een verplichting voor producenten en leveranciers, bijvoorbeeld voor biogas of waterstof. De overheid zou onderzoek naar een duurzame gasvoorziening moeten stimuleren als de markt dit niet doet.

De AER pleit voor verkenning van andere mogelijkheden voor de bescherming van de gebonden klanten dan juridische binding, met het oog op de beperkte duur (tot uiterlijk 2007) en het geringe effect dat de AER ervan verwacht ten opzichte van de huidige situatie. Daarin is in de praktijk wel sprake van binding, maar juridisch gezien niet. De Raad is het eens met de keuze voor het systeem van onderhandelde toegang tot het transportnet, dat inhoudt dat een aanbieder van gas moet onderhandelen met de eigenaar van het transportnet om te worden toegelaten tot het net en om de transportprijs overeen te komen. De Raad is voorstander van actief toezicht op de toegang tot het net, om non-discriminatie te waarborgen. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) zou hiervoor moeten worden aangewezen, met daarnaast eventueel een aparte geschillencommissie, zolang de Staat nog is betrokken bij zowel de Gasunie als de NMa. Volgens de AER zou er duidelijker onderscheid moeten komen tussen infrastructuur en de daarmee samenhangende dienstverlening, zowel bij de Gasunie als bij de distributiebedrijven.

Volgens de AER is de gassector voor Nederland zozeer van belang, dat de liberalisering van de gasmarkt zorgvuldig en niet te snel moet verlopen. Er is tijd nodig om de gevolgen van liberalisering helderder in kaart te brengen en de Nederlandse besluitvorming moet in de tijd goed aansluiten op de Brusselse besluitvorming over de Europese gasrichtlijn.

Gezien de verschillen tussen elektriciteit en gas is de AER het eens met het verschil in benadering van de liberalisering van de gas- en de elektriciteitsmarkt. Overigens pleit de Raad ervoor dat de Gaswet zoveel mogelijk aansluit bij de toekomstige elektriciteitswet en andere bestaande energiewetgeving. Vier jaar na inwerkingtreding zou de wet geëvalueerd moeten worden.


Terug naar thema Overheid en energiebeleid 1998