Derde Nationaal Milieubeleidsplan |
Berichten uit 1998 |
Per doelgroep worden beleid en taakstellingen geformuleerd. Het kabinet houdt in het NMP3 vast aan de doelstellingen die in de eerdere NMP's zijn gesteld voor 2010, maar gaat ervan uit dat bij de huidige verwachting van de economische groei een aantal tussendoelstellingen voor 2000 later wordt bereikt.
Voor verzuring blijft de doelstelling vooralsnog 1400 zuurequivalenten per hectare per jaar in 2010; aan het einde van de planperiode van het NMP3 zal worden getoetst in hoeverre die doelstelling haalbaar is. De tussendoelstelling voor NOx voor het jaar 2000 wordt verschoven naar 2005. Voor SO2 en ammoniak worden de tussendoelen voor 2000 wel gehandhaafd. Voor de doelgroepen industrie, raffinaderijen en energiebedrijven wil het kabinet komen tot een systeem van kostenverevening. In zo'n systeem zouden bedrijven onderling moeten afspreken de meest kosteneffectieve maatregel per sector te nemen en daarvan onderling de kosten verdelen. Wanneer het bedrijfsleven niet zelf met een aanpak komt, zal het kabinet met een mix van regulerende maatregelen komen. Voor klimaatverandering wil het kabinet als instrument de MJA's hanteren, in combinatie met regelgeving en de mogelijkheid van benchmarking.
Voor de energiebedrijven, dat wil zeggen productie- en
distributiebedrijven en Gasunie, vormt het Besluit Emissie-eisen
Stookinstallaties, dat in 1998 is aangescherpt,
de basis van het beleid tegen verzuring. Voor het
milieubeleid in het NMP3 tot het
jaar 2010 wordt in de begroting van 1998 f. 2,6 miljard extra
gereserveerd. Het NMP3 bevat verder nog een lijst van opties, mogelijke
maatregelen, die extra geld kosten. Omdat het derde Nationaal
Milieubeleidsplan zo kort voor de Tweede-Kamerverkiezingen uitkomt,
wordt de beslissing over die extra maatregelen overgelaten aan het nieuw
te vormen kabinet, dat daarover afspraken kan maken in het
regeerakkoord.