Energiebesparingsnota |
Berichten uit 1998 |
In de Energiebesparingsnota wordt bij de aanpak expliciet onderscheid gemaakt naar energie-intensieve sectoren die bloot staan aan internationale concurrentie en de overige sectoren. Voor de energie-intensieve sectoren komt het instrument benchmarking in beeld. Daarbij wordt de te bereiken energie-efficiency gerelateerd aan die van de meest energie-efficiënte vergelijkbare bedrijven ter wereld. Voor de overige sectoren dient de vergelijking met het buitenland als richtsnoer, ondermeer vanwege landenspecifieke kenmerken.
In de nota ligt het accent op extra besparingsmaatregelen in de gebouwde
omgeving. De voorgestelde extra maatregelen kunnen de jaarlijkse
efficiencyverbetering opschroeven naar 2,1% (inclusief 0,1% door nieuw
beleid sinds 1995). In 2010 vermindert het pakket maatregelen de
CO2-emissie met 10 à 11 Mton. De gemiddelde kosten voor de
eindverbruiker bedragen hierbij f. 110 per vermeden ton
De extra besparing wordt niet alleen bereikt met de inzet van efficiëntere energiesystemen bij energiebedrijven en eindverbruikers. Een geografische verbreding vindt plaats bij besparing via integratie van energiestromen op woning- en industrielocaties; een organisatorische verbreding betreft energiebesparing via gebruik van minder materiaal en het sluiten van ketens.
Met name in de gebouwde omgeving krijgen de maatregelen een sterker verplicht karakter. Voor de bestaande gebouwen en woningen komt er een Energie-prestatie-keuring (EPK), met als streefdatum 2004. Bij bestaande (utiliteits)gebouwen wordt een gedifferentieerde EPK-norm gehanteerd vanwege de grote diversiteit in gebruik en vormgeving. Bij woningen moet de EPK ertoe leiden dat deze minimaal de energetische kwaliteit krijgen van nieuwbouw uit 1985. De EPK zou voorgeschreven kunnen worden bij het verlenen van verbouwvergunningen. Voorlopig wordt bij het EPK-beleid een vrijwillig spoor gevolgd.
De reeds eerder ingevoerde prestatienorm voor nieuwbouw (EPN) wordt aanzienlijk aangescherpt. Bij woningen gaat de energieprestatiecoëfficiënt (EPC) van oorspronkelijk 1,4 in 1995 via 1,0 in 2000 naar 0,8 in 2004 en 0,6 in (mogelijk) 2008. Bij nieuwe (utiliteits)gebouwen moet de strengere EPN leiden tot een vergelijkbare vermindering van het energiegebruik.
Bij grotere nieuwbouwprojecten worden, bovenop de verscherpte EPN, extra eisen gesteld waaraan voldaan kan worden via een optimale energie-infrastructuur en de inzet van duurzame energiebronnen.
Bij elektrische apparaten vindt reeds autonoom besparing plaats; het besparingstempo wordt verder opgevoerd tot een niveau van 25% in 2010 ten opzichte van 1995, onder andere door Europese energie-etikettering, zelfregulering bij audio/video-apparatuur en procurement (afstemming tussen aanbieders en afnemers van zuinige apparatuur met ondersteuning vanuit de overheid).
Voor de glastuinbouw geldt een convenant, waarin een Integrale Milieutaakstelling (IMT) is geformuleerd die onder andere moet leiden tot een efficiencyverbetering van 65% in 2010 ten opzichte van 1980. Voorgenomen maatregelen zijn herstructurering van verouderde bedrijven, toepassing van warmte/kracht en restwarmte en invoering van Groen Label kassen (energiezuinige kassen).
Bij de industrie wordt binnen de randvoorwaarden van rentabiliteitseisen en internationale concurrentiepositie, een scala van maatregelen voorzien in het kader van benchmarking en tweede generatie MJA's: productefficiency en integraal ketenbeheer, stimulering van doorbraaktechnieken en industriële samenwerking op bedrijventerreinen en externe logistiek.
Op transportgebied wordt getracht het aanbod van steeds zuiniger voertuigen te vergroten via een krachtige Nederlandse inzet op het niveau van de Europese Unie. Daarnaast wordt de aankoop van zuiniger voertuigen gestimuleerd via nationale etikettering en fiscale maatregelen.
In de energiesector tenslotte loopt tot 2000 het Integraal Milieuplan Energie Sector (IMES) van de Sep, EnergieNed en Gasunie. Volgens de nota wordt de sector, als gevolg van de liberalisering, steeds meer vergelijkbaar met een 'gewone' industrietak. Zowel opwekking als transport/distributie zullen, in de vorm van MJA's, worden aangesproken op de milieukwaliteit van hun product.
Het geheel van maatregelen wordt ondersteund door het verhogen van de Regulerende Energiebelasting en gebruik van een deel van de opbrengst voor stimulering van besparing en duurzame energie.
In de nota wordt aangegeven wat het kabinet als maximaal mogelijk ziet
aan besparing binnen technische, bestuurlijke en economische
randvoorwaarden. Bij een nog intensiever besparingsbeleid zullen de
kosten snel oplopen; daarom moet volgens de nota bij een verdere
aanscherping van het klimaatbeleid de oplossing buiten het
besparingsterrein worden gezocht, b.v. in de vorm van JI- projecten in
het buitenland. De verdere uitwerking van de voorgestelde
beleidsmaatregelen zal plaatsvinden in een nog te verschijnen
implementatienota.