AER-advies oliecrisisbeleid

Berichten uit
1998
Eind 1997 heeft de Minister van EZ de AER gevraagd een advies op hoofdlijnen uit te brengen over uitgangspunten en vormgeving van het Nederlandse oliecrisisbeleid. Dit beleid ter vermindering van de gevolgen van een olie-aanvoerverstoring is in de jaren zeventig opgezet in IEA (Internationaal Energie Agentschap)-verband; ook in het kader van de EU zijn destijds richtlijnen opgesteld. Het beleid bestaat uit het aanhouden van verplichte noodvoorraden ter grootte van 90 dagen netto import en het nemen van vraagbeperkende maatregelen tijdens een crisis. In het kader van aanvullende afspraken houdt Nederland extra (surplus) voorraden aan, die deels in de plaats komen van vraagbeperkende maatregelen. De ervaringen tijdens de golfcrisis van 1991, de liberalisering van de energiemarkt en de noodzakelijke herziening van de wet Voorraadvorming Aardolieproducten (WVA) zijn redenen geweest om het oliecrisisbeleid opnieuw te bezien.

Ter ondersteuning van het advies is door de Stichting Economisch Onderzoek (SEO) een onderzoek uitgevoerd naar de economische effecten van een oliecrisis voor Nederland, met en zonder specifiek beleid. Op basis van dit onderzoek verwacht de Raad dat de economische gevolgen van een oliecrisis waarschijnlijk beperkt zullen zijn, uitgezonderd enkele specifieke sectoren. Niet te kwantificeren gedragseffecten tijdens een crisissituatie zijn hierbij echter niet beschouwd. Verder acht de Algemene Energieraad, conform IEA-publicaties, de kans op een oliecrisis klein.

Gezien de beperkte kansen en effecten concludeert de Raad dat de IEA-verplichtingen voor Nederland aan de forse kant zijn. De kosten voor het aanhouden van voorraden bedragen thans jaarlijks ongeveer f. 150 miljoen, opgebracht via een heffing op de brandstofprijzen. De omvang van de nationale voorraden zou zo klein mogelijk moeten zijn binnen een soepeler uitleg van de internationale verdragsverplichtingen. Hiermee sluit Nederland beter aan bij het in de praktijk gevoerde beleid in andere landen.

Daarnaast vindt de Raad dat het beleid moet aansluiten bij het nieuwe uitgangspunt 'markt waar mogelijk, overheid waar nodig'. Dit betekent dat het bedrijfsleven zelf meer verantwoordelijkheid moet nemen voor zijn eigen olievoorziening. Het publieke deel van de crisisvoorraad moet beter afgestemd zijn op de behoeften van prioritaire groepen verbruikers, zoals politie, brandweer, ambulances, leger en openbaar vervoer. Verder meent de Raad dat de mogelijkheid van vraagbeperkende maatregelen weliswaar formeel gehandhaafd moet blijven, maar in de praktijk niet ingezet zou moeten worden. Er bestaat twijfel over de uitvoerbaarheid; daarnaast lijkt vraagbeperking het negatieve effect op de economie weinig te verzachten. Tenslotte vraagt de Raad aandacht voor vermindering van de olieafhankelijkheid via stimulering van substitutie en technologieontwikkeling op de wat langere termijn.


Terug naar thema Overheid en energiebeleid 1998