VROM-raad advies 'Transitie naar een koolstofarme energiehuishouding'

Berichten uit
1998
Op verzoek van de Minister van VROM brengt de VROM-raad een advies uit over de in 1999 te verschijnen Uitvoeringsnota Klimaatbeleid. Daarin moeten de afspraken uit het Kyoto-protocol vertaald worden in termen van maatregelen en instrumenten. De Minister wil daarover advies, alsmede een beoordeling van het in oktober verschenen Optiedocument van ECN en RIVM, waarin de kosten en CO2-reductie van 61 opties zijn weergegeven.

De VROM-raad stelt dat in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid aanzienlijk verder gekeken moet worden dan 2010. Uiteindelijk, aldus de Raad, is -6% in 2010 niet meer dan een eerste stap op weg naar 80% reductie aan het eind van de volgende eeuw. Volgens de VROM-raad bevat het Optiedocument te weinig opties die vooral op langere termijn effectief zijn en wordt de samenhang tussen opties onvoldoende helder gemaakt. Het streven naar een transitie van de energiehuishouding op lange termijn moet, ook al in de komende jaren, richtinggevend zijn voor het beleidsproces. De overheid moet die transitie niet zelf willen sturen, maar moet er voor zorgen dat de actoren er zelf belang bij krijgen stappen te nemen die passen bij die transitie. Daarvoor is regelgeving geen oplossing, maar moet voor een marktconform instrumentarium gekozen worden. De Raad kiest daarbij voor verhandelbare emissierechten, aangezien nog weinig voortgang wordt geboekt met de Europese energieheffing. De Raad stelt voor om een begin te maken met een binnenlands systeem van verhandelbare koolstofemissierechten voor een aantal sectoren die niet bloot staan aan substantiële internationale concurrentie. Voor de sectoren die (nog) niet aan dit systeem meedoen, zal het systeem van MJA's over energie-efficiency voortgezet moeten worden, aldus de Raad, aangevuld met regelgeving en benchmarking. Uiteindelijk zou er voor deze sectoren een systeem van internationaal verhandelbare emissierechten moeten komen. De Raad vindt dat ook van bedrijven die de benchmark hebben bereikt, extra inspanningen gevraagd kunnen worden, om te zorgen dat er een redelijke taakverdeling tussen sectoren tot stand komt.

Ten aanzien van het bereiken van de afgesproken reducties in het buitenland, door de inzet van zogenoemde flexibele instrumenten, ziet de Raad geen principiële reden waarom daaraan een maximum gebonden zou moeten zijn. Wel denkt de Raad dat het aandeel van de flexibele instrumenten in de totale vereiste reductie in de praktijk niet zal uitkomen boven de 50%, die in het Regeerakkoord 1998 als maximum wordt genoemd. Bovendien vindt de Raad dat er afspraken gemaakt moeten worden over het financiële voordeel dat behaald wordt door toepassing van flexibele instrumenten. Dit moet in voldoende mate worden aangewend om te investeren in de transitie van de energiehuishouding. Die transitie vergt niet alleen blijvende aandacht voor efficiënter energie- en materiaalgebruik en de inzet van duurzame energie, maar ook voor het afvangen en opslaan van CO2. De Raad meent dat deze laatste optie goed past in de overgang naar een waterstofeconomie en het grootschalig gebruik van brandstofcellen.

rganiseerd dat misbruik van informatie niet mogelijk is. Opslag en transport van gas moeten boekhoudkundig gescheiden zijn van handel en netbeheer. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) ziet volgens het voorstel toe op de naleving van de regels en treedt op bij geschillen.


Terug naar thema Overheid en energiebeleid 1998