VROM-raad advies 'Transitie naar een koolstofarme energiehuishouding' |
Berichten uit 1998 |
De VROM-raad stelt dat in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid aanzienlijk verder gekeken moet worden dan 2010. Uiteindelijk, aldus de Raad, is -6% in 2010 niet meer dan een eerste stap op weg naar 80% reductie aan het eind van de volgende eeuw. Volgens de VROM-raad bevat het Optiedocument te weinig opties die vooral op langere termijn effectief zijn en wordt de samenhang tussen opties onvoldoende helder gemaakt. Het streven naar een transitie van de energiehuishouding op lange termijn moet, ook al in de komende jaren, richtinggevend zijn voor het beleidsproces. De overheid moet die transitie niet zelf willen sturen, maar moet er voor zorgen dat de actoren er zelf belang bij krijgen stappen te nemen die passen bij die transitie. Daarvoor is regelgeving geen oplossing, maar moet voor een marktconform instrumentarium gekozen worden. De Raad kiest daarbij voor verhandelbare emissierechten, aangezien nog weinig voortgang wordt geboekt met de Europese energieheffing. De Raad stelt voor om een begin te maken met een binnenlands systeem van verhandelbare koolstofemissierechten voor een aantal sectoren die niet bloot staan aan substantiële internationale concurrentie. Voor de sectoren die (nog) niet aan dit systeem meedoen, zal het systeem van MJA's over energie-efficiency voortgezet moeten worden, aldus de Raad, aangevuld met regelgeving en benchmarking. Uiteindelijk zou er voor deze sectoren een systeem van internationaal verhandelbare emissierechten moeten komen. De Raad vindt dat ook van bedrijven die de benchmark hebben bereikt, extra inspanningen gevraagd kunnen worden, om te zorgen dat er een redelijke taakverdeling tussen sectoren tot stand komt.
Ten aanzien van het bereiken van de afgesproken reducties in het
buitenland, door de inzet van zogenoemde flexibele instrumenten, ziet de
Raad geen principiële reden waarom daaraan een maximum gebonden zou
moeten zijn. Wel denkt de Raad dat het aandeel van de flexibele
instrumenten in de totale vereiste reductie in de praktijk niet zal
uitkomen boven de 50%, die in het Regeerakkoord 1998 als maximum wordt
genoemd. Bovendien vindt de Raad dat er afspraken gemaakt moeten worden
over het financiële voordeel dat behaald wordt door toepassing van
flexibele instrumenten. Dit moet in voldoende mate worden aangewend om
te investeren in de transitie van de energiehuishouding. Die transitie
vergt niet alleen blijvende aandacht voor efficiënter energie- en
materiaalgebruik en de inzet van duurzame energie, maar ook voor het
afvangen en opslaan van
rganiseerd dat misbruik van informatie niet
mogelijk is. Opslag en transport van gas moeten boekhoudkundig
gescheiden zijn van handel en netbeheer. De Nederlandse
Mededingingsautoriteit (NMa) ziet volgens het voorstel toe op de
naleving van de regels en treedt op bij geschillen.