Nieuwe gaswet aangeboden aan Tweede Kamer

Berichten uit
1999
Op 30 maart biedt minister Jorritsma de Gaswet aan de Tweede Kamer aan, in de hoop dat deze op 1 januari 2000 in werking zal treden. Belangrijkste hoofdlijn van de Gaswet is het introduceren van concurrentie en daarmee het geven van keuzevrijheid aan klanten. De markt wordt in drie stappen vrijgemaakt, synchroon aan de elektriciteitsmarkt. Per 1 januari 2000 zullen partijen die meer dan 10 miljoen m3 gas per jaar afnemen, zoals elektriciteitscentrales en grote bedrijven, vrij zijn in de keuze van hun leverancier. De middengroep van afnemers van meer dan 170.000 m3 per jaar is per 2002 aan de beurt. Als laatste groep zijn kleinverbruikers in 2007 vrij om hun leverancier te kiezen.

Liberaliseringstempo van de gasmarkt

m3 aantal afnemers Vrij vanaf
meer dan 10 miljoen  150  1-1-2000
meer dan 170.000  16.000 (waarvan 11.000 tuinders)  1-1-2002
alle afnemers 645.8000 1-1-2007

Een ander belangrijk punt van de wet vormt de onderhandelde nettoegang van derden. De huidige eigenaren van gasnetwerken, de distributiebedrijven en de Gasunie, zullen andere partijen toegang moeten geven tot hun gasnetwerk. Voor deze toegang moet een prijs worden bedongen, vandaar de term 'onderhandelde nettoegang' (nPTA). Dit is een belangrijk verschil met de elektriciteitsmarkt, waar voor de toegang tot het elektriciteitsnet vastgestelde tarieven worden betaald (rPTA). De overheid gaat ervan uit dat de concurrentie voor de consument prijsvoordeel en een betere dienstverlening oplevert.

Gaswet
Een belangrijk verschil met de nota Gasstromen (december 1997) is dat in het wetsvoorstel gasbedrijven in de toekomst niet uitgesloten zijn van de plicht tot een bijdrage aan een duurzame energievoorziening. In tegenstelling tot haar eerdere overtuiging is minister Jorritsma van mening dat ook gasconsumenten kunnen bijdragen aan een duurzame energievoorziening. Het 'groene stroom'-systeem wordt uitgebreid met een gasvariant. De certificaten voor duurzaam geproduceerd gas zullen uitwisselbaar zijn met de elektriciteitscertificaten. Tezamen vormen zij de basis voor een toekomstig systeem voor alle andere vormen van groene energie.
Voor het overige is er weinig nieuws onder de zon. De overheid houdt vast aan het in Gasstromen geïntroduceerde marktmodel voor de gasmarkt. Dit model van onderhandelde toegang verschilt sterk met het model van de elektriciteitsmarkt. De gehele opzet van de markt is 'losser' dan die van de elektriciteitsmarkt. De lichte regulering komt onder meer tot uiting in de afwezigheid van een toezichthouder. De tarieven en voorwaarden zullen a priori via marktwerking tot stand moeten komen. De Nationale Mededingingsautoriteit zal dus toezicht houden op de nettoegang en zal optreden bij geschillen daarover.
Tijdens de overgangsperiode, waarin de prijsvorming tussen producenten en leveranciers (gas-to-gas competition) tot stand komt, zal de overheid voor de gebonden klanten de maximale prijzen vaststellen. Om de gebonden klanten verder te beschermen krijgen distributiebedrijven een tijdelijke doch wettelijke leveringsplicht aan hun gebonden klanten. Na 2007 wordt deze plicht opgeheven en speelt de overheid geen enkele rol meer in de prijsvorming.
Voor het lokale energiebeleid is het van belang dat in dit wetsvoorstel wordt getornd aan de vrijheid van netaanleg. Het voorstel voorziet in de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur speciale regels op te stellen bij de aanleg van gasnetten in Vinex-locaties. Voor die gebieden zullen openbare inschrijvingen mogelijk zijn, waarbij gas-, elektriciteit- en warmtenetten met elkaar concurreren.
Reacties van marktpartijen kenmerken zich door geluiden dat de concurrentie niet van de grond komt. Energiebedrijven blijven tot 2007 gebonden aan de langjarige contracten met Gasunie. Forse prijsdalingen worden hierdoor niet voorzien.



Terug naar thema Overheid en energiebeleid 1999