Financieren van 'bakstenen' in de elektriciteitssector |
Berichten uit 1999 |
Kosten van 'bakstenen' ter discussie
Door het mislukken van de poging om tot een Grootschalig Productiebedrijf (GPB) te komen, worden een aantal van deze bakstenen die op naam van de Sep staan, verdeeld over de vier afzonderlijke bedrijven.
De hoogte van deze niet-rendabele investeringen is een belangrijk punt. In eerste instantie werden alleen de investeringen in stadsverwarming meegerekend, later volgden ook de investering in de kolenvergassingsinstallatie Demkolec, de aanleg van een stroomkabel naar Noorwegen en verschillende importcontracten. De geschatte waarde van deze investeringen kan oplopen tot circa 6 miljard gulden, afhankelijk van de uiteindelijke marktprijs voor elektriciteit. Deze kosten zouden op alle afnemers verhaald moeten worden door middel van een jarenlange opslag op het transporttarief.
De Tweede Kamer twijfelt of de overheid wel 2 tot 8 miljard moet uittrekken voor het saneren van de bakstenen. Dit naar aanleiding van de overname van de UNA door het Amerikaanse bedrijf Reliant, waarmee een bedrag van 4,5 miljard gulden gemoeid is. Minister Jorritsma stelt dat als blijkt dat de draagkracht van de bedrijven ten gunste is veranderd, de eerder afgesproken bedragen kunnen veranderen. De Tweede Kamer wacht het advies van de commissie van wijze mannen af.
Ook vraagt de Kamer een extra garantie van de minister om te voorkomen dat productiebedrijven zich bij eventuele privatisering onttrekken aan de nog te maken afspraken over de bakstenen. Voor distributiebedrijven vraagt de Kamer aan de minister nog voor de zomer criteria voor privatisering op te stellen.