EU-richtlijn duurzame energie: negen procent duurzame elektriciteit voor Nederland in 2010

Berichten uit
2000
De EU-ministers bereiken overeenstemming over een richtlijn van de Europese Commissie over duurzame energie. De richtlijn gaat nu naar het Europees parlement voor een tweede behandeling. In 2010 moet het totaal aandeel duurzaam opgewekte energie 12 procent zijn, het aandeel bij elektriciteit moet zelfs 21,7 procent zijn. Voor de overige opwekking is er nog geen aparte doelstelling. De ministers steunen voorstellen voor een certificatensysteem voor duurzame elektriciteit. Hiermee moet duurzame energie kunnen concurreren in geliberaliseerde markten.

De nationale regeringen proberen de gevolgen van de richtlijn enigszins te verzachten -- ook die van de indicatieve nationale doelen -- hoewel niet bindend. De streefwaarde van Portugal gaat terug van 45,6 naar 39 procent, van Finland van 35 naar 31,3 procent en van Nederland van 12 naar 9 procent. Verscheidene andere landen willen vergelijkbare reducties, maar nemen genoegen met andere verzachtende maatregelen. Oostenrijk, Zweden en Italië zijn tevreden met een clausule die hen bij extreme weersomstandigheden, waarbij de duurzame energieproductie afneemt, ontslaat van hun verplichting.

Monitoring en naleving zijn minder scherp geformuleerd. Landen hoeven pas na vijf in plaats van vier jaar te beginnen met de jaarlijkse rapportages aan de Europese Commissie (EC). De EC zal na vier jaar de situatie zelf onderzoeken. Op basis van de overeenkomst kan de Commissie een geharmoniseerd systeem voorstellen, waarbij een zevenjarige transitieperiode geldt voor de introductie. Voor Nederland lijkt de doelstelling van de richtlijn gemakkelijker te halen dan de eigen streefwaarde van 5 procent duurzaam op het totaal, zoals geformuleerd in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid deel I.


Terug naar thema Overheid en energiebeleid 2000