EU-richtlijn duurzame energie: negen procent duurzame elektriciteit voor Nederland in 2010 |
Berichten uit 2000 |
De nationale regeringen proberen de gevolgen van de richtlijn enigszins te verzachten -- ook die van de indicatieve nationale doelen -- hoewel niet bindend. De streefwaarde van Portugal gaat terug van 45,6 naar 39 procent, van Finland van 35 naar 31,3 procent en van Nederland van 12 naar 9 procent. Verscheidene andere landen willen vergelijkbare reducties, maar nemen genoegen met andere verzachtende maatregelen. Oostenrijk, Zweden en Italië zijn tevreden met een clausule die hen bij extreme weersomstandigheden, waarbij de duurzame energieproductie afneemt, ontslaat van hun verplichting.
Monitoring en naleving zijn minder scherp geformuleerd. Landen hoeven
pas na vijf in plaats van vier jaar te beginnen met de jaarlijkse
rapportages aan de Europese Commissie (EC). De EC zal na vier jaar de
situatie zelf onderzoeken. Op basis van de overeenkomst kan de
Commissie een geharmoniseerd systeem voorstellen, waarbij een
zevenjarige transitieperiode geldt voor de introductie. Voor Nederland
lijkt de doelstelling van de richtlijn gemakkelijker te halen dan de
eigen streefwaarde van 5 procent duurzaam op het totaal, zoals
geformuleerd in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid deel I.