Wet voorraadvorming aardolieolieproducten |
Berichten uit 2001 |
Op 1 april treedt de wet voorraadvorming aardolieproducten in werking. Deze wet regelt hoe Nederland voldoet aan haar internationale verplichting om olievoorraden aan te houden, voor gebruik ten tijde van crises. Nederland moet ca. 4,5 miljoen ruwe olie equivalent aan aardolie in voorraad hebben. Dat is ongeveer gelijk aan de netto import van Nederland in honderd dagen. Het Nederlandse bedrijfsleven dat actief is op de binnenlandse markt dekt een deel van de nationale voorraadverplichtingen. De sichting Centraal Orgaan Voorrraadvorming Aardolieproducten (COVA) neemt de rest voor zijn rekening. In 2001 was er veel discussie over welke bedrijven voorraadplichtig zijn. Uiteindelijk heeft de minister besloten de drempel te verhogen van 50.000 naar 100.000 ton jaarlijkse olieomzet. Uiteindelijk zijn er van de 140 vergunninghouders ca. 15 voorraadplichtig. De keuze van de drempelhoogte beperkt de administratieve lasten van de regeling. Voorraadplichtige bedrijven moeten 5% van de omzet boven de drempel als voorraad aanhouden. Bij het grootste deel van de ondernemingen gaat het om werkvoorraden die ze normaal ook al aanhouden. De voorraadplicht van de COVA wordt verhoogd. Het aandeel van de COVA op de totale voorraad gaat van ca. 67% naar ca. 85%. De COVA wordt betaald uit een voorraadheffing op olieproducten die nu verhoogd zal worden. Het COVA hoeft echter niet meer zelf de voorraad aan te houden, maar kan ook volstaan op reserveringen van anderen.
In het kader van het aardoliecrisisbeleid verscheen er op 16 maart in de Staatscourant de "Regeling autoloze zondag bij oliecrises" en op 22 mei in het staatsblad een besluit om de maximumsnelheid tijdelijk te verlagen bij verstoring van de olieaanvoer.