Bakstenen: steun aan Demkolec en stadsverwarmingnetten toegestaan, importcontracten onder vuur

Berichten uit
2002

In juli 2002 krijgt de Nederlandse overheid toestemming van de Europese Commissie om Nederlandse elektriciteitsmaatschappijen eenmalig steun te geven voor onrendabele projecten uit het verleden, de bakstenen. De voormalige nutsbedrijven dragen de lasten van een aantal onrendabele projecten uit het verleden nog jaren mee, waarvan ze een gedeelte willen verhalen op de overheid. Nederland mag nu ruim 600 miljoen euro steun geven over een periode van tien jaar. Dit geld gaat naar twee projecten:

  • afschrijving van de kosten voor de onrendabele kolenvergasser Demkolec in het Limburgse Buggenum
  • enkele onrendabele stadsverwarmingnetten.

De kolenvergasser Demkolec is in juni 2001 verkocht aan Nuon dat daarvoor veel minder heeft betaald dan het oorspronkelijke investeringsbedrag, nodig om de moderne centrale te bouwen. Nuon nam de kolenvergassingsinstallatie Demkolec voor 103 miljoen euro over, terwijl de installatie tien jaar eerder nog voor 360 miljoen euro werd gebouwd. De overheid betaalt het verschil tussen boekwaarde en bod.

Achtergrond
In de jaren ‘80 stimuleerde de Nederlandse regering stadsverwarmingprojecten om milieuredenen (aardgasbesparing, brandstofdiversificatie en vermindering van afvalwarmteproblemen). Er werden aanzienlijke investeringen gedaan om een stadsverwarminginfrastructuur te bouwen. Uitgangspunt was dat huishoudens voor stadsverwarming niet méér zouden moeten betalen dan wat zij in vergelijking zouden betalen voor verwarming op aardgas (het niet meer dan anders-beginsel). De stadsverwarmingprojecten stammen uit een tijd waarin de brandstofprijzen hoog waren. Als gevolg van de daling van de brandstofprijzen aan het eind van de jaren tachtig, die zich voortzette in de jaren negentig, raakten de stadsverwarmingprojecten in financiële problemen. Stadsverwarming is verliesgevend bij lage energieprijzen omdat de productiekosten (brandstof, infrastructuur en administratie) ervan dan hoger zijn dan de inkomsten (de inkomsten zijn gekoppeld aan de gasprijzen door het niet-meer-dan-anders-beginsel). Een lage gasprijs resulteert in lage inkomsten. In het kader van een financiële saneringsoperatie in 1990 werden nieuwe afspraken gemaakt tussen Sep en de Vereniging van Exploitanten van Stadsverwarming. Deze afspraken hielden in dat de productiebedrijven het risico van dalende brandstofprijzen (het brandstofprijsrisico) dragen. De meerkosten voortvloeiende uit toepassing van het niet meer dan anders beginsel en het dragen van het brandstofprijsrisico werden tot 1 januari 2001 door de productiebedrijven via Sep verdisconteerd in het tarief voor de levering van elektriciteit. In een gesloten markt kunnen deze kosten worden afgewenteld op de verbruikers maar in een geliberaliseerde markt kunnen deze kosten niet meer worden terugverdiend en is sprake van verlies. Dit verlies voor de elektriciteitsproducenten wordt in het kader van de bakstenen gecompenseerd door de overheid.

Importcontracten
De Vereniging voor Energie, Milieu en Water (VEMW) zet eerder in het jaar (mei 2002) de discussie over de afwikkeling van de bakstenenproblematiek met betrekking tot de importcontracten juist op scherp. De grootverbruikersclub heeft toezichthouder DTe aangeklaagd bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB), uit protest tegen de vermeende voorrangspositie die vier van origine Nederlandse elektriciteitsproducenten en vroegere SEP-deelnemers (Reliant, E.ON, Essent en Electrabel) genieten bij de import van stroom uit het buitenland. Deze voorrangspositie komt voort uit een aantal niet-marktconforme meerjarencontracten (bakstenen). De overheid heeft deze gegarandeerde importcontracten in het verleden bewerkstelligd, uit angst dat Nederland te maken zou krijgen met stroomtekorten. Inmiddels zijn drie van de vier elektriciteitsbedrijven geprivatiseerd en is de markt geliberaliseerd. De door DTe vastgestelde regeling is volgens de VEMW volstrekt ontoelaatbaar omdat deze voorrang de ontwikkeling van de elektriciteitsmarkt zou schaden. De prijs voor elektriciteit blijft daarmee in Nederland kunstmatig hoog en het beoogde effect van de liberalisering van de elektriciteitsmarkt zou voor de komende tien jaar worden tenietgedaan. De belangenorganisatie wijst er bovendien op dat deze regeling in strijd is met het geldend recht omdat het recht niet zou toestaan dat één partij betere voorwaarden geniet dan andere. De VEMW hoopt daarom dat de president van het CBB de voorrangspositie van de vroegere SEP-deelnemers ongedaan maakt. Volgens DTe rechtvaardigt de openbare nutsfunctie van de van origine Nederlandse elektriciteitsproducenten in de periode voor de privatisering van de elektriciteitmarkt echter een handelsbelemmering en is de regeling daarom niet strijdig met Europese regelgeving.

De zaak komt op 31 mei 2002 voor de rechter. Het CBB verwijst de zaak in november 2002 naar het Hof van Justitie. Een uitspraak zal pas na 2002 kunnen worden verwacht.



Terug naar de thema's Elektriciteits- en gasmarkt 2002 Overheid en energiebeleid 2002