Nieuwe stimuleringsregeling Milieukwaliteit elektriciteitsproductie (MEP) |
Berichten uit 2002 |
Wetsvoorstel MEP
Op 1 november 2002 stuurt Minister Hoogervorst van Economische Zaken een notitie naar de Tweede Kamer met de contouren van een nieuwe stimuleringsregeling voor duurzame elektriciteit en elektriciteit uit WKK: het wetsvoorstel MEP (milieukwaliteit elektriciteitsproductie).
Als gevolg van de liberalisering van de markt voor groene stroom en de sterke toename in de afgelopen jaren van de stimuleringskracht van de regulerende energiebelasting (REB) voor duurzame energie is de vraag naar groene stroom enorm toegenomen. Er is echter sprake van enkele ongewenste neveneffecten: weglek van belastinggeld naar het buitenland zonder dat dit hoeft te leiden tot de bouw van nieuwe opwekkingscapaciteit voor duurzame elektriciteit, onzekerheid in de markt over het voortbestaan van de regelingen waardoor investeringen in duurzame energie in Nederland niet voldoende van de grond komen en over stimulering van een aantal duurzame energieopties.
De voorgestelde aanpassing om deze ongewenste neveneffecten weg te nemen omvat een hervorming van het instrumentarium langs de volgende lijnen:
Uitgangspunt voor de MEP vergoeding is het overbruggen van de onrendabele top (het verschil tussen de kostprijs voor groene stroom en de prijs van grijze stroom). De onrendabel top wordt eerst uitgerekend over de hele economische levensduur (bijv. 15 jaar) en vervolgens verdisconteerd naar 10 jaar. Dus in principe wordt met een MEP vergoeding gedurende 10 jaar de onrendabele top over de gehele levensduur gedekt. Bij berekening van de onrendabele top wordt rekening gehouden met de EIA op de investering in duurzame energie en de REB vrijstelling van 2,9 €ct/kWh (art. 36i). Biomassa mengstromen, AVI's en waterkracht hebben overigens geen recht op REB vrijstelling (art.36i).
De vergoedingen voor duurzame elektriciteit zijn gericht op de stimulering van de meest aantrekkelijke opties (met name windenergie en biomassa), welke nodig zijn voor het behalen van de nationale duurzame energiedoelstelling. De hoogste vergoeding die in 2003 wordt verstrekt is 5 €ct/kWh. Tabel 1 geeft een overzicht van de voorgestelde MEP tarieven voor verschillende duurzame energie opties. Bij de vergoeding voor afvalverbrandingsinstallaties en mengstromen geldt dat de vergoeding naar rato van het aandeel zuivere biomassa zal zijn en geldt als eis een minimaal elektrisch rendement van 26%. De MEP vergoedingen gelden voor een periode van 10 jaar of voor maximaal 18.000 vollasturen voor wind op land. Het wetsvoorstel MEP is van toepassing voor alle installaties die na 1 januari 1996 in gebruik zijn genomen. Vanaf die datum is de fiscale stimulering voor duurzame elektriciteit van kracht waarvoor de MEP een alternatief vormt.
De tegemoetkoming voor elektriciteit uit WKK is een exploitatiebijdrage, gerelateerd aan de kosten de gepaard gaan met het vermijden van CO2-emissies. De WKK vergoeding is afgeleid van de zogenaamde CO2-index. Deze index is gebaseerd op de daadwerkelijke CO2-reductie van WKK ten opzichte van gescheiden opwekking van warmte en elektriciteit. In de praktijk houdt dit in dat de gemiddelde bijdrage per kWh op 0,32 €ct/kWh uitkomt met uitschieters van 0 tot 0,8 €ct/kWh. Voor WKK zal in het wetsvoorstel voor 2003 een tegemoetkoming worden gehanteerd van 0,32 €ct/kWh voor op het net ingevoede elektriciteit, aangezien de WKK producenten niet eerder in staat zullen zijn de benodigde metingen te verrichten.
Ook klimaatneutrale elektriciteit krijgt een vergoeding vanuit de MEP, maar deze wordt later vastgesteld omdat er nog geen commerciële projecten gereed zijn. Voor de hoogte van de vergoeding zal worden uitgegaan van de vermeden externe kosten t.g.v. CO2-uitsparing.
Tennet is de beoogde uitvoerder van de regeling. Deze kan via de regionale netbeheerder de uitgaven voor de MEP financieren door aan Nederlandse afnemers jaarlijks per aansluiting een vast tarief in rekening te brengen. Dit tarief wordt vastgesteld door de minister van EZ en is voor 2003 €34 per aansluiting. Deze lastenverzwaring wordt gecompenseerd door een even grote vermindering van de REB. Tennet heeft voor de uitvoering van de MEP een dochter EnerQ opgericht. EnerQ betaalt MEP subsidie uit op basis van door CertiQ (voorheen Groencertificatenbeheer) uitgegeven productiecertificaten.
Informatiebijeenkomst voor marktpartijen
Op 8 november 2002 organiseert het ministerie van EZ een informatiebijeenkomst over de MEP regeling voor marktpartijen. In het verslag dat de Minister hierover naar de Tweede Kamer stuurt blijkt dat een belangrijk deel van de discussie tijdens de bijeenkomst betrekking had op de hoogte van subsidies. Met name wat betreft de vergoedingen voor elektriciteit uit wind op land en elektriciteit uit WKK. Op het Algemeen Overleg over het Energierapport 2002 van 6 november was al een verhoging van de WKK subsidie van 0,32 €ct/kWh naar 0,45€ct/kWh toegezegd.
Wijzigingsvoorstel MEP
Op 3 december 2002 stuurt staatssecretaris Wijn van EZ een wijziging van het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer. De MEP vergoedingen worden verhoogd naar aanleiding van overleg met marktpartijen. De hoogste vergoeding is die voor wind op zee. Voor duurdere technieken is de vergoeding gemaximeerd tot het tarief voor wind op zee uit overwegingen van kosteneffectiviteit. De gewijzigde MEP vergoedingen voor duurzame elektriciteit zijn aangegeven in tabel 1. De vergoeding voor elektriciteit uit WKK wordt verhoogd naar 0,57 €ct/kWh. Na introductie van de CO2-index in de loop van 2003 zal voor WKK een naar CO2-reductie gedifferentieerd tarief gelden.
Brief in antwoord op kamervragen
Op 10 december 2002 stuurt staatssecretaris Wijn van EZ een brief naar de Tweede Kamer met informatie over het wetsvoorstel MEP naar aanleiding van Kamervragen over het buitenlandlek in de REB en het wetsvoorstel MEP.
De Kamer maakt zich zorgen over het buitenlandlek in de REB. In 2002 betalen afnemers van duurzame elektriciteit geen REB. Op het moment dat de MEP in werking treedt betalen deze afnemers 3,49 €ct/kWh. Het REB-tarief voor duurzame elektriciteit is daarmee nog steeds 2,9 €ct/kWh lager dan het tarief voor grijze stroom van 6,39 €ct/kWh. Dit voordeel is ongeacht de plaats waar de elektriciteit is opgewekt. Dit betekent dat ook in het nieuwe systeem geen volledige zekerheid bestaat welke partijen in welke mate profiteren van de REB vrijstelling (artikel 36 i). Vanwege de zorgen om het buitenlandlek is per 1 januari 2002 duurzame elektriciteit opgewekt met waterkracht uitgesloten van artikel 36i. De discussie rond het wetsvoorstel MEP heeft aanleiding gegeven voor nieuwe maatregelen. Er zullen twee additionele eisen aan import gesteld worden:
Naar aanleiding van Kamervragen worden nog enkele wijzigingen en toevoegingen ten aanzien van de MEP voorgesteld. Met betrekking tot renovatie en uitbreiding wordt toegezegd dat ook nieuwe installaties op een oude locatie en ingrijpende uitbreidingen in aanmerking komen voor een nieuwe 10-jaarsperiode van de MEP. Ten aanzien van een nader onderscheid binnen de categorie zuivere biomassa zal nog enige tijd nodig zijn. Het lijkt te vroeg om de vergoedingen nu voor 10 jaar vast te leggen. Om te voorkomen dat de huidige producenten stoppen met productie van groene stroom uit zuivere biomassa zal de subsidie voor zuivere biomassa verwerking in installaties met een vermogen groter dan 50 MWe voor 3 jaar(te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de MEP op 4,8 €ct/kWh gezet worden. Deze subsidie is noodzakelijk voor het continueren van de huidige productie en behoort bij de huidige marktprijs van zuivere biomassa van goede kwaliteit. In 2003 zal bekeken worden in hoeverre een nadere differentiatie nodig is. Toegezegd wordt in 2003 een inventarisatie te maken van de voor- en nadelen van een benadering waarin het eigen gebruik van WKK onder werking van zowel de REB als de MEP wordt gebracht.
Tijdelijk fiscaal alternatief
Op 12 november 2002 stuurt staatssecretaris van Eijck van Financiën een tweede nota van wijziging op het Belastingplan 2003 naar de Tweede Kamer. Hierin wordt een fiscaal alternatief beschreven als tijdelijke regeling voor de periode tussen 1 januari 2003 en de inwerkingtreding van de MEP. Uitgangspunt is dat een budgettaire besparing intact blijft, dat het lek naar het buitenland zal moeten worden beperkt en dat zal worden ingezet op continuering en intensivering van de stimulering van de productie van groene stroom in Nederland. Per 1 januari 2003 worden de volgende maatregelen voorgesteld:
Tabel 1 MEP tarieven (€ct/kWh)
| Technologie-energiebron | voorstel 1-11-02 |
gewijzigd voorstel 3-12-2002 |
definitief 2003 |
| Stortgas, RWZI en AWZI-vergisting | 0 | 0 | 0 |
| Bij/meestoken van zuivere biomassa in centrales (min 50 MW) | 2,4 | 2,5 | 4,8 |
| Afvalverbrandingsinstallaties en mengstromen (naar rato van het aandeel biogeen) | 2,4* | 2,9** | 2,9** |
| Wind op land *** | 2,4 | 4,9 | 4,9 |
| Wind op zee | 5 | 6,8 | 6,8 |
| Zuivere biomassa in stand-alone installaties (max. 50 MWe) | 5 | 6,8 | 6,8 |
| Zon-pv, golf en getijde energie | 5 | 6,8 | 6,8 |
| Waterkracht | 5 | 6,8 | 6,8 |