Ruim baan voor kernenergie; Borssele blijft open

Berichten uit
2002

In juni 2002 maakt de nieuwe beoogde coalitie van CDA, VVD, en LPF een opvallende omwenteling in het Nederlandse energiebeleid bekend: kernenergie krijgt ruim baan. Gelet op de Kyoto-doelstellingen wordt de sluiting van de kerncentrale Borssele afgeblazen. Ook zal er onderzoek worden gedaan naar de bouw van een nieuwe nucleaire centrale in Nederland en de duurzame opslag van radioactief materiaal. Parallel aan deze omslag in het beleid loopt een rechtszaak van de staat tegen Borssele, de laatste in een serie van drie.

Op 25 september 2002 doet de civiele rechtbank in Den Bosch uitspraak in de zaak van de staat tegen exploitant EPZ inzake de sluiting van de kerncentrale Borssele per 1 januari 2004. De staat stelt dat EPZ in 1994 had ingestemd met sluiting van de centrale en vordert nakoming van deze overeenkomst. Onder anderen oud-minister Wijers van Economische Zaken wordt opgeroepen om te getuigen. De rechter concludeert echter dat de staat niet heeft bewezen dat zo’n overeenkomst tot stand was gekomen. Bovendien concludeert de rechter dat gemaakte afspraken over een sluiting in 2004 niet langer geldig zijn. Dit betekent dat de kerncentrale in Borssele ook na 2003 mag blijven produceren. Het kabinet informeert de Tweede Kamer op 25 november 2002 dat het niet in beroep gaat tegen de uitspraak.

Deze uitspraak van september sluit voor de staat de derde en laatste weg af om sluiting van Borssele af te dwingen. De staat heeft drie wegen bewandeld: twee publiekrechtelijke en een privaatrechtelijke. Met geen van de drie heeft ze uiteindelijk haar doel bereikt. De eerste publiekrechtelijke mogelijkheid was die van de Elektriciteitswet 1989 en het elektriciteitsplan. In het elektriciteitsplan 1995-2004 was vastgelegd dat Borssele zou sluiten op 1 januari 2004, maar met de invoering van de Elektriciteitswet 1998 werd elektriciteitsproductie geliberaliseerd. Dit betekende het einde van de elektriciteitsplannen, het waren immers instrumenten van centrale planning. Op grond van oude elektriciteitsplannen kon Borssele dus niet worden gedwongen tot sluiting op 1 januari 2004. De staat heeft deze weg tot sluiting van Borssele min of meer zelf opgebroken.

De tweede publiekrechtelijke weg liep en loopt via de Kernenergiewet: een kerncentrale heeft op grond van deze wet een vergunning nodig om te kunnen 'draaien'. Borssele heeft een vergunning voor onbepaalde duur. De staat heeft geprobeerd deze vergunning ambtshalve zodanig te wijzigen dat ze zou eindigen op 31 december 2004, maar deze wijziging is in 2000 vernietigd door de Raad van State omdat de staat onterecht bedenkingen van derden/belanghebbenden tegen de wijziging had genegeerd. De staat heeft vooralsnog niet opnieuw geprobeerd de vergunning van Borssele te wijzigen in een vergunning met einddatum. Zoals het er nu voorstaat, loopt de vergunning van Borssele na 1 januari 2004 gewoon voor onbepaalde tijd door.

De derde weg is van privaatrechtelijke aard en dit leidde tot de uitspraak van september. De staat en een exploitant van een kerncentrale kunnen met elkaar een overeenkomst sluiten, waarin de exploitant zich verplicht op een bepaald moment de centrale te sluiten. In de zaak Borssele heeft de staat gesteld zo'n overeenkomst te hebben gesloten met EPZ (voorheen via SEP). Bij de behandeling van deze zaak waren twee vragen aan de orde:

  • Is zo'n (hypothetische) privaatrechtelijke overeenkomst geen onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke Kernenergiewet?
  • Is een dergelijke civiele overeenkomst tot stand gekomen?
In een tussenvonnis in 2001 bepaalde de rechtbank al dat het sluiten van een dergelijke overeenkomst in principe is toegestaan en geen onaanvaardbare doorkruising van de Kernenergiewet zou zijn. Het eindvonnis van 25 september 2002 spitst zich toe op de vraag of er inderdaad een overeenkomst is gesloten tussen de staat en EPZ met betrekking tot de sluiting van Borssele op 1 januari 2004. Volgens de rechter is er wel een afspraak, maar is geen overeenkomst aangetoond. En de gemaakte afspraak is weer niet geldig, want die blijkt te zijn gemaakt binnen het publiekrechtelijke kader van de Elektriciteitswet van 1989. Dat kader bestaat niet meer in 2002. Had dat kader nog steeds bestaan, dan had nakoming van die afspraak ook binnen dat kader kunnen worden afgedwongen.



Terug naar thema Overheid en energiebeleid 2002