Energierapport 2002: Investeren in energie - Keuzes voor de toekomst |
Berichten uit 2002 |
Minister Jorritsma van Economische Zaken stuurt in februari 2002 het Energierapport 2002 Investeren in energie – Keuzes voor de toekomst naar de Tweede Kamer. Het Energierapport schetst het energiebeleid voor de komende jaren. Centrale thema’s in het rapport zijn voorzieningszekerheid, economische efficiëntie en milieukwaliteit van de energiehuishouding. Voor een betrouwbare en schone energievoorziening op langere termijn benadrukt het rapport het belang van een goed investeringsklimaat. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste thema’s in het energierapport.
Voorzieningszekerheid
De gebeurtenissen in Californië in 2001 hebben geleid tot een discussie over de leveringszekerheid in geliberaliseerde markten. Er zijn geen aanwijzingen dat hierbij in ons land de komende jaren knelpunten zijn te verwachten. De ontwikkelingen op de middellange termijn zullen afhangen van de toename van de vraag, het buiten gebruik stellen van bestaande installaties, de bouw van nieuw vermogen en de import. Er zijn nog geen langjarige gegevens beschikbaar over de ontwikkeling van het productievermogen en de reservefactor in de geliberaliseerde markt. Overheid, netbeheerders, toezichthouders en marktpartijen hebben op dit moment dus onvoldoende beschikking over betrouwbare en actuele informatie over vraag en aanbod op langere termijn. Het kabinet past de regelgeving aan om te verzekeren dat er meer en specifiekere informatie beschikbaar komt. Dankzij het kleineveldenbeleid voor de gaswinning is de totale verwachte reserve aan aardgas in de loop der productiejaren vrijwel niet gedaald. Zonder dit beleid zou het Groningenveld over een paar jaar vrijwel leeg zijn. Nederland zou voor zijn gasvoorziening dan geheel op import zijn aangewezen. Er is echter een toenemende spanning tussen het belang van energiewinning en belangen van milieu en ruimtegebruik. Bij de ontwikkeling van verkennings- en winningslocaties krijgt men te maken met zeer lange en soms stagnerende vergunningenprocedures. Dit staat een verstandige benutting van de Nederlandse gasreserves in de weg. Het kabinet juicht het initiatief voor de instelling van een Overlegraad Olie en Gas toe.
Economische efficiëntie
Doel van de liberalisering van de energiesector is een betere economische efficiëntie. Afnemers mogen hun eigen energieleverancier kiezen. Dit prikkelt bedrijven om efficiënter te werken, betere service en meer maatwerk te bieden met meer concurrentie en een betere prijs-kwaliteitverhouding als resultaat. De markt voor grote en middelgrote gebruikers is al vrij, maar binnenkort mogen ook kleingebruikers hun eigen leveranciers kiezen. Het kabinet gaat in het begin van 2002 nog steeds uit van liberalisering van de kleinverbruikersmarkt in 2003 (eerder was nog 1 januari 2004 voorzien). De ontwikkelingen bij de liberalisering van de markt voor grootverbruikers, het middensegment en bij duurzame elektriciteit wijzen erop dat versnelde liberalisering haalbaar is. De datum waarop dit zal gebeuren hangt af van het advies dat het Platform Versnelling Energieliberalisering (PVE) binnenkort zal uitbrengen. Zodra het besluit is genomen, zal het kabinet regelgeving aanpassen om volledige liberalisering mogelijk te maken. Leveranciers van gas en elektriciteit zullen in het bezit moeten zijn van een vergunning. Mochten er toch problemen ontstaan bij levering door een faillissement, dan moet de consument altijd terug kunnen vallen op een zogenaamde ‘supplier by last resort’, die de levering overneemt. Het PVE werkt aan een regeling die daarin voorziet. Zonodig wordt die in de regelgeving verankerd. Meer in het algemeen vereist liberalisering een transparante markt met een goed toezicht en een stabiel investeringsklimaat. Om internationaal goed te kunnen concurreren, is essentieel dat sprake is van een gelijk speelveld in Europa. Dat is er nu niet. Het kabinet zal zich binnen Europa sterk blijven maken voor het in hoog tempo realiseren van dit gelijke speelveld en de daarmee samenhangende harmonisatie van regelgeving.
Milieukwaliteit
In de afgelopen tien jaar bedroeg het energiebesparingstempo gemiddeld 1,2 procent per jaar (meer achtergronden over cijfer in rapport Besparingstrends 1990-2000: besparing, instrumenten en effectiviteit). Dit besparingsgetal loopt door na medio vorig jaar ingezet beleid naar verwachting op tot 1,3 à 1,4 procent per jaar (meer achtergronden over cijfer in Referentieraming energie en CO2 2001-2010). Dit is voldoende om de Kyoto-doelstelling te halen. Om extra zekerheden in te bouwen, gaat het kabinet niettemin na waar intensivering mogelijk is. Die zal vooral moeten komen van effectievere inzet van bestaande regelingen. De ontwikkeling van duurzame energie blijft nog achter bij de doelstelling. Mede dankzij fiscale stimulering is de vraag flink toegenomen, maar het aanbod blijft achter. Toch zijn er in Nederland goede productiemogelijkheden voor duurzame energie, met name op het gebied van wind en biomassa. Voor windvermogen acht het kabinet 1500 Megawatt op land mogelijk in 2010 en 6000 Megawatt op zee in 2020. Ook voor energie uit biomassa is nog een aanzienlijke toename voorzien, met name via bijstook in kolencentrales. Om een en ander tot stand te brengen, is wel een aantal initiatieven op het gebied van de ruimtelijke ordening nodig. Het kabinet wil nagaan welke mogelijkheden er zijn om de procedures helderder, doelmatiger en sneller te maken. Ook wil het kabinet minstens één proefproject starten waarbij bij vergunningverlening in samenspraak tussen producenten, natuur- en milieuorganisaties en overheden leidt tot een goed resultaat voor alle betrokkenen. Het kabinet zal nog vóór de verkiezingen een standpunt innemen over emissiehandel in samenhang met instrumenten als het benchmarkconvenant, de Meerjarenafspraken en de energiebelastingen.
Transitie naar een duurzame energiehuishouding
In het Nationaal Milieubeleidsplan 4 is veel aandacht geschonken aan de overgang naar een duurzame energiehuishouding: een energiehuishouding die naast economisch efficiënt, en betrouwbaar ook klimaatneutraal is. Dit Energierapport bevat de eerste uitwerking hiervan in een aantal concrete initiatieven rond het Benchmarkconvenant, Biomassa, Gas en Experimenten in het Rijnmondgebied. Kenmerkend van deze aanpak is dat nauw samengewerkt wordt met bekende en nieuwe partners om deze initiatieven van de grond te krijgen. Zowel bedrijven, onderzoeksinstellingen als de overheid investeren erin. De ontwikkeling van een duurzame energiehuishouding moet een gezamenlijke uitdaging worden voor overheid, bedrijfsleven en andere maatschappelijke actoren. Het risicoprofiel van private investeringen in transitietrajecten zal soms het gebruikelijke innovatierisico te boven gaan. Minister Jorritsma stelt voor de komende drie jaar in totaal 35 miljoen euro beschikbaar voor risicodeling door overheidsdeelname in dit soort projecten. Daarnaast stelt ze een bedrag van 20 miljoen euro beschikbaar voor marketing, communicatie en kennisopbouw ten behoeve van energietransitie.