Toenemende politieke weerstand tegen privatisering van de energiesector

Berichten uit
2002

Het beleid: enthousiasme verandert in weerstand
In februari 2002 stuurt Minister Jorritsma van Economische Zaken het wetsvoorstel Privatisering van de Energiebedrijven naar de Tweede Kamer. Het voorstel voor privatisering van de regionale transportnetten voor gas en elektriciteit maakt verkoop van de netten door de overheid aan private ondernemingen onder strenge voorwaarden mogelijk. In het wetsvoorstel staat dat het juridisch eigendom van de netten in handen moet blijven van de publieke aandeelhouders (provincies en gemeenten); het economisch eigendom mag voor 49% worden verkocht. Het voorstel bouwt voort op eerdere beleidsregels voor de privatisering van nutsbedrijven waarmee de Kamer, vooruitlopend op de nieuwe Elektriciteitswet en Gaswet, heeft ingestemd. Op grond van deze regels mogen nutsbedrijven zelf wel geprivatiseerd worden, maar de erbij behorende distributienetwerken niet.

Deze eerdere beleidsregels, gepubliceerd in 2002 in Staatscourant 161, geven een nadere invulling van de onafhankelijkheidseisen die de Elektriciteitswet stelt en bevatten een aantal voorwaarden voor de instemming met de aanwijzing van netbeheerders. Deze voorwaarden hebben betrekking op:

  1. De gebruiksvergoeding die netbeheerders aan de neteigenaar betalen voor het beheer van het net
  2. Reeds gesloten overeenkomsten over uitbesteding van werkzaamheden in het kader van netbeheer door de netbeheerder aan de neteigenaar
  3. De positionering van regel- en schakelfuncties
  4. De financiële onafhankelijkheid van de netbeheerder ten opzichte van de neteigenaar.

Achtergrond van de wens om de juridische eigendom van het netwerk bij de provincies en gemeenten te laten is dat de overheid in het uitzonderlijke geval van taakverwaarlozing met betrekking tot het netbeheer snel en effectief, zonder terecht te komen in onteigeningsprocedures, tot aanwijzing van een andere netbeheerder kan overgaan. Het economisch eigendom van het netwerk moet direct rusten bij de netbeheerder.

Gemeenten en provincies luiden meteen de noodklok over het wetsvoorstel. Voor de gemeenten en provincies, de huidige aandeelhouders, is het grootste struikelblok het feit dat zij de verantwoordelijkheid over het netbedrijf krijgen als er sprake is van wanbeleid. Dat betekent grote financiële risico’s bij claims. Bovendien wijzen de gemeenten op de problemen die dreigen te ontstaan met de talrijke crossborderlease-constructies die de energiebedrijven in de afgelopen jaren hebben afgesloten. Bij deze constructie hebben de energiebedrijven hun kapitaalgoederen, zoals de netwerken, aan Amerikaanse banken en bedrijven verhuurd. Als de energiebedrijven de zeggenschap over hun netwerken nu verliezen, is de kans groot dat de Amerikaanse partijen deze contracten willen aanpassen. Het risico bestaat dat de energiebedrijven voor miljarden euro's claims aan hun broek krijgen. Politici hebben ook veel kritiek op het voorstel, met name op het feit dat de energiebedrijven een groot deel van hun waarde zullen verliezen. Dit komt doordat de elektriciteitsnetwerken, die vaak 70% van de waarde van een bedrijf uitmaken, niet langer tot de inboedel van een te privatiseren energiebedrijf mogen behoren want het juridisch eigendom van de netwerken blijft in handen van de lokale overheden. Ook EnergieNed, de brancheorganisatie van energiebedrijven in Nederland, keert zich faliekant tegen het wetsvoorstel van minister Jorritsma. EnergieNed wil pas op 1 januari 2004 de volgende stap van de liberalisering invoeren en doet een oproep aan de politiek om geen overhaaste wetswijzigingen in te voeren. Dat zou leiden tot verwarring in de markt. Volgens EnergieNed brengt "het inconsistente beleid en het slechte investeringsklimaat als gevolg van de nieuwe regelgeving de energiesector in gevaar".

In mei, na de verkiezingen voor de Tweede Kamer, wordt duidelijk dat de politieke weerstand tegen privatisering van de energiesector verder is gegroeid. Het CDA, dan de nieuwe beoogde regeringspartij, wil voorlopig niets privatiseren en de aangekondigde verkoop van het overheidsbelang in Gasunie uitstellen. Ook de privatisering van de nutsbedrijven moet van tafel tot de vrije markt goed functioneert en het toezicht goed geregeld is. Anders zou er een uitverkoop aan buitenlandse energieconcerns dreigen. Het CDA wil ook af van Jorritsma’s wetsvoorstel. De LPF is nog feller dan het CDA tegen de privatisering van nutsbedrijven.

In september veegt de nieuwe minister van Economische Zaken Heinsbroek (LPF) het bestaande beleid voor de privatisering van energienetwerken van tafel. Deze daad wordt over het algemeen met enthousiasme ontvangen in de energiesector. De minister laat in een conceptbrief aan de Tweede Kamer weten de energienetwerken in overheidshanden te willen houden totdat de energiemarkt volledig vrij is. Verder wil hij het landelijke gasnet van Gasunie staatseigendom maken en de privatisering van regionale netwerkbedrijven van energiebedrijven zoals Nuon of Eneco bevriezen tot 1 januari 2004. In de tussentijd moet de privatiseringswetgeving worden aangescherpt. Tot die tijd zal hij niet instemmen met de verkoop van netwerken door gemeenten en provincies. De beleidsregels privatisering energiedistributiebedrijven worden ingetrokken met dien verstande dat zij van toepassing blijven op verzoeken om instemming die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Heinsbroeks opvolger staatssecretaris Wijn van Economische Zaken maakt in december bekend dat energiebedrijven niet eerder geprivatiseerd kunnen worden dan in juli 2004; voorlopig alleen met toestemming van het Rijk. Gemeenten en provincies die de aandelen van hun stroom- en gasbedrijven willen verkopen aan buitenlandse energieconcerns moeten dat voornemen voorlopig staken. Bedrijven mogen niet eerder dan een half jaar na de liberalisering van de stroom- en gasmarkt, beoogd in 2004, worden geprivatiseerd, mits ze aan bepaalde voorwaarden voldoen. Pas als blijkt dat ook bij concurrentie de leveringszekerheid van stroom en gas voldoende is, kan worden overgegaan tot verkoop van de bedrijven aan private ondernemingen.

De privatisering van Obragas: een concreet geval
In april geeft Minister Jorritsma van Economische Zaken goedkeuring aan de verkoop van het Brabantse energiebedrijf Obragas aan het Duitse industrieconcern RWE. Dat doet ze nadat ze de transactie getoetst heeft aan de beleidsregels van medio 2001. Het is de eerste privatisering sinds de nieuwe beleidsregels. In februari 2001 al bereikte RWE een akkoord met Obragas om 90% van het bedrijf over te nemen voor 364 miljoen euro. De overname liep echter vertraging op omdat de Tweede Kamer in april 2001 nieuwe voorwaarden stelde aan de privatisering van de netwerken van nutsbedrijven. RWE en Obragas hebben nu in overleg met EZ, een constructie opgezet die voldoet aan de nieuwe regelgeving. Er is een speciale vennootschap gevormd waarin zich het juridische eigendom van de netwerken bevindt. Deze vennootschap blijft in handen van de publieke aandeelhouders, de gemeenten. RWE koopt wel, zoals de regels voorschrijven, slechts 49% van het netwerkbedrijf van Obragas.

Een meerderheid van de Kamer vindt dat de minister met haar goedkeuring had moeten wachten tot na de behandeling van een nieuw wetsvoorstel over de privatisering van energiebedrijven. De minister zegt dat de beleidsregels haar juridisch binden en dat zij dus niet een privatisering mag weigeren als die voldoet aan de regels. De Kamer neemt, ook nog in april, een motie aan die voorwaarden stelt aan de verkoop van Obragas aan het Duitse concern RWE. De Kamer wil dat de verkoop, inmiddels goedgekeurd door Jorritsma, alsnog aan voorwaarden wordt gebonden vanwege de nieuwe Elektriciteitswet en Gaswet die binnenkort behandeld gaan worden.

Minister Jorritsma van Economische Zaken vraagt de Raad van State om advies over de consequenties van het uitvoeren van een kamermotie die de minister dwingt om geen toestemming te geven voor de gedeeltelijke privatisering van energiebedrijven. Jorritsma vindt dat zij dergelijke overnames niet kan weigeren omdat de Tweede Kamer hierover vorig jaar beleidsregels opstelde waaraan de minister moet voldoen zolang er geen nieuwe wetgeving is. Een meerderheid in de Tweede Kamer wil echter dat de minister de beleidsregels zodanig herziet dat ook beperkte overname van energiebedrijven voorlopig onmogelijk wordt. Dat advies komt in juli. De Raad van State vindt ook dat Jorritsma de beleidsregels wel moest naleven. De Raad van State vindt voorts dat, als men de overname wil weigeren, men de beleidsregels moet intrekken of wijzigen.

De volgende minister van Economische Zaken (Heinsbroek, LPF) zal de instemming van Jorritsma met de verkoop van het Noord-Brabantse distributiebedrijf Obragas niet terugdraaien. En een volgende aanvraag van het eveneens Brabantse Intergas voor verkoop zal hij toetsen aan de nu nog bestaande regels. Minister Heinsbroek van Economische Zaken geeft uiteindelijk echter geen toestemming voor de verkoop van het Brabantse nutsbedrijf Intergas aan het Duitse energieconcern RWE. In de beleidsregels van medio 2001 staat dat tot 2004 een particulier bedrijf niet meer dan 49% van het economisch eigendom van de netwerken mag bezitten. Het juridisch eigendom moet volledig in handen van de overheid te blijven. Volgens Heinsbroek voldoet het contract tussen RWE en Intergas grotendeels aan deze beleidsregels, op een belangrijk punt na. Intergas heeft zijn netwerken ondergebracht in een cross-border lease met een Amerikaanse partij. Hierdoor is het volgens Heinsbroek onzeker of hij snel effectief kan ingrijpen in geval van wanbeheer. Volgens Heinsbroek kan Intergas wel een nieuw verzoek indienen, waarin het bedrijf alsnog zekerheid moet verschaffen over de cross-border lease. In dat geval zal Heinsbroek de transactie opnieuw toetsen aan de beleidsregels van Jorritsma. Dat laatste is van belang omdat inmiddels is aangekondigd dat de ‘oude’ beleidsregels zullen worden ingetrokken. Intergas en Obragas blijven dus uitzonderingen.



Terug naar de thema's Elektriciteits- en gasmarkt 2002 Overheid en energiebeleid 2002