Emissiehandel |
Berichten uit 2002 |
Commissie Vogtländer
In januari 2002 ontvangen ministers Pronk (VROM) en Jorritsma (Economische Zaken) het rapport over emissiehandel van de Commissie Vogtländer. De commissie heet officieel Commissie CO2-handel maar wordt vaker vernoemd naar de voorzitter. De commissie concludeert in haar rapport dat vermindering van de uitstoot van CO2 in Nederland mogelijk is door een systeem van emissiehandel. Bedrijven handelen in dit systeem in rechten om het broeikasgas CO2 te mogen uitstoten. De Commissie CO2-handel is in de zomer van 2000 door minister Pronk ingesteld om de haalbaarheid te onderzoeken van CO2-emissiehandel in Nederland. Volgens de commissie is een nationaal systeem van handel in CO2-emissierechten gunstig voor ons land. In de plannen van de commissie is het de bedoeling dat sectoren met lage energiekosten of waarin voornamelijk op de binnenlandse markt wordt geopereerd (zoals de dienstensector, gezondheidszorg en financiële instellingen) op een veiling emissierechten kopen. De opbrengst daarvan gaat via belastingverlaging terug naar die sectoren. De overheid moet prestatienormen vaststellen en afspreken met bedrijfstakken die met grote internationale concurrentie te maken hebben en die veel energie gebruiken (zoals de chemie, metaal, olieraffinage, landbouw en elektriciteitsproductie). Overtreedt een bedrijf een prestatienorm, dan moet het emissierechten kopen. Presteert het bedrijf goed en blijft het onder de norm dan kan het het overschot aan emissierechten aan andere ondernemingen verkopen op een CO2-markt. De commissie bepleit gefaseerde invoering van het systeem:
MKB en CPB: plan te nationaal
Het MKB, de belangenvereniging voor het midden- en kleinbedrijf, wijst de voorstellen van de commissie-Vogtländer af omdat het advies voorbij zou gaan aan de nationale concurrentieverhoudingen. Volgens het MKB zullen de plannen leiden tot rechtsongelijkheid tussen nationaal en internationaal opererende bedrijven. Het Centraal Planbureau (CPB) onderschrijft de bezwaren van MKB in haar studie Economische effecten van nationale systemen van CO2-emissiehandel; nationale dilemma's bij een mondiaal vraagstuk die in januari 2002 uitkomt en is verricht op verzoek van de Commissie CO2-handel. Volgens het CPB komen de voordelen van CO2-emissiehandel juist tot uiting als het in internationaal verband plaatsvindt en is een nationaal systeem van CO2-emissiehandel geen efficiënte invulling van het klimaatbeleid. Het CPB trekt deze conclusie na een vergelijking van de economische effecten van verschillende varianten van nationale emissiehandelssystemen en een intensivering van het bestaande beleid (REB omhoog en voortzetting energiebesparingsconvenanten). Volgens het CPB zijn macro-economische aanpassingskosten bij een nationaal systeem alleen te vermijden door een complex handelssysteem op te zetten, maar dan worden de uitvoeringskosten erg hoog. Nederland wil bedrijven onderbrengen in twee groepen: bedrijven die internationaal actief zijn en bedrijven die nationaal actief zijn. Volgens het CPB brengen vaststelling, monitoring en controle op de naleving van de relatieve emissieplafonds veel uitvoeringskosten met zich mee. Bij een internationaal handelssysteem hoeft de overheid daarentegen geen onderscheid te maken tussen groepen van bedrijven of emissieplafonds per sector: het risico van concurrentieverslechtering en verplaatsing naar het buitenland van de niet-afgeschermde bedrijven is kleiner. Een internationaal handelssysteem met een absoluut plafond voor alle sectoren heeft veel geringere uitvoeringskosten volgens het CPB. Doordat bovendien de kosten van het verminderen van emissies tussen de landen nogal verschillen, leidt een internationaal handelssysteem tot een lagere prijs van de emissierechten dan bij een nationaal systeem.
In maart reageert ook de Sociaal Economische Raad op het eindrapport van de Commissie Vogtländer. De reactie van de SER laat zich puntsgewijs als volgt samenvatten:
Net als het MKB en het CPB heeft de SER een duidelijke voorkeur voor directe invoering van een systeem van CO2-emissiehandel op Europees niveau. Volgens de SER kan daarmee het meest effectief en efficiënt de CO2-doelstelling worden gehaald. Bovendien is volgens de SER bij een internationaal systeem het gevaar van aantasting van de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven veel minder aan de orde dan bij een systeem op een lager schaalniveau. Tot slot vindt de SER het niet zinvol om nationale emissiehandel in te voeren als er zicht is op invoering van emissiehandel binnen de EU binnen afzienbare termijn.
Kabinet steunt emissiehandel
In april 2002 reageert het kabinet Kok II positief op het rapport van de Commissie Vogtländer. Emissiehandel is een haalbaar, wenselijk en efficiënt instrument om de Nederlandse CO2-doelstelling te bereiken. Het kabinet zet in op een systeem van emissiehandel in Europees verband en zal onderzoek doen naar de wijze waarop dit in Nederland ingevoerd kan worden. Het kabinet heeft voorkeur voor een gefaseerde aanpak. Het kabinet wil in 2005 een Europees systeem van CO2-emissiehandel laten starten. Dit kan later worden gevolgd met een systeem voor alle broeikasgassen. In november 2002 komt de notitie 'Vaste waarden, nieuwe vormen' van het (dan demissionaire) kabinet Balkenende I uit met een beschrijving van het milieubeleid voor de periode 2002-2006. Onder andere is besloten dat de implementatie van de EU-richtlijn over emissiehandel zal worden voorbereid.
Emissiehandel in Europese context
In december 2002 besluiten de EU-ministers van Milieu dat het bedrijfsleven vanaf 2005 mag handelen in CO2-emissierechten. De Europese handel van emissierechten is in eerste instantie alleen van toepassing op CO2 en grote bedrijven. Het systeem start met ongeveer 4500 grote bedrijven in de Europese Unie. In Nederland dekt het systeem ongeveer 45% van de broeikasgasemissies en ongeveer 100 grote bedrijven. Het betreft onder andere de papier- en kartonindustrie, de metaalindustrie en elektriciteitsproductiebedrijven. Vanaf 2008 kunnen meer activiteiten en broeikasgassen worden toegevoegd. De nationale overheid stelt de emissieplafonds voor de installaties vast en zorgt voor de verdeling van de emissierechten over die installaties. De lidstaten moeten nu de toewijzingsplannen gaan opstellen voor de verdeling van de emissierechten om de start van het systeem in 2005 mogelijk te maken. Bedrijven mogen, onder bepaalde voorwaarden, ook met andere ondernemingen een pool vormen om gezamenlijk rechten te kopen of verkopen. De Europese Commissie en de EU-lidstaten zullen toezien op een eerlijk verloop van zulke poolvorming. Zo mogen bedrijven geen al te grote pool vormen. Bedrijven die boven een bepaalde grens uitstijgen, kunnen rekenen op boetes. Bedrijven die boven de hen toegewezen rechten uitkomen, moeten de emissie terugdringen door extra investeringen in milieutechnologie of de handel in rechten. Deze emissiehandel is niet aan nationale grenzen gebonden. Bedrijven mogen ook rechten kopen bij andere ondernemingen binnen de EU. Bedrijven die boven hun emissiegrens uitkomen, als zij na sterke economische groei niet genoeg milieubesparende maatregelen nemen of rechten hebben gekocht, krijgen een boete opgelegd van veertig euro per ton uitstoot.