Privatisering: zeker niet van netwerken, misschien van leveringsbedrijven

Berichten uit
2003

In 2003 is er opnieuw veel kritiek op privatisering van de energiesector. Steeds meer mensen, onder wie politici, twijfelen aan de noodzaak om nutsvoorzieningen te privatiseren. Met name de voorzieningszekerheid is een cruciaal punt. Het privatiseren van netten zou volgens critici namelijk kunnen leiden tot onderinvesteringen. Aan het einde van het jaar verklaren de grootste partijen zich regelrecht tegenstander van privatisering van de gas- en stroomnetten. Het eerste kabinet-Balkenende bevriest de privatisering daarvan al tot 1 januari 2005. Over privatisering van leveringsbedrijven wordt nog getwijfeld.

In januari blijkt de PvdA geen voorstander van privatisering van nutsbedrijven meer te zijn. De PvdA, eerder aanhanger van de markt, zegt veel sceptischer te zijn geworden over de markt en wil weer controle kunnen uitoefenen op die zaken waar burgers politici op aanspreken. De PvdA wil daarom geen privatisering meer in sectoren als de energie- en watervoorziening, de gezondheidszorg, de spoorwegen en Schiphol: een betrouwbare en aanspreekbare overheid is belangrijker dan het onbekende voordeel van de marktwerking.

Netwerken
Op 10 februari pleit de PvdA voor publiekprivate investeringen in energienetwerken. De PvdA wil dat institutionele beleggers, zoals banken en pensioenfondsen, via participatiefondsen in publieke voorzieningen kunnen investeren. De PvdA zit midden in de formatiebesprekingen met het CDA en wil dit punt inbrengen. De PvdA noemt het energienetwerk, de telecom-infrastructuur en het openbaar vervoer als voorbeelden waarin private investeringen mogelijk moeten worden. De PvdA wil de publieke zeggenschap niet opgeven maar de 'tucht van de markt’ enigszins binnenhalen.

Volgens de PvdA mogen participatiefondsen nooit een meerderheidsaandeel in de publieke voorzieningen krijgen. De PvdA zegt weinig op te hebben met ‘hybride organisaties’ als de NS, die zweven tussen markt en overheid. Bij vennootschappen als de energiebedrijven Nuon en Essent zijn overheden wel eigenaar, maar de commissarissen behartigen allereerst het belang van het bedrijf. De overheid heeft dus weinig te zeggen, volgens de PvdA. De PvdA wil dat de overheid in die vennootschappen en andere semi-publieke organisaties weer meer te zeggen krijgt, maar wel dat er privaat geld wordt geďnvesteerd in de publieke sector. De PvdA wil de komende vijf jaar zeker geen vergaande stappen zetten met privatiseringen.

Op 13 juni spreekt de Hoge Raad zich uit over de privaatrechtelijke aard van ondergrondse netwerken. Het hoogste rechtscollege in Nederland bevestigt een uitspraak van het gerechtshof dat ondergrondse netwerken als onroerende zaak moeten worden behandeld. Exploitanten van energie- en kabelnetwerken dreigen door deze uitspraak met belastingaanslagen op dit bezit te worden opgezadeld, wellicht zelfs met terugwerkende kracht. Als ondergrondse netwerken als onroerend goed moeten worden behandeld, moet bij verkoop 6 procent overdrachtsbelasting worden betaald. Mogelijk kunnen gemeenten er ook onroerendezaakbelasting (ozb) over heffen, tenzij leidingen, kabels en buizen in de grond onder de zogenaamde werktuigenvrijstelling in de ozb kunnen worden gebracht.

De uitspraak van de Hoge Raad komt als een verrassing omdat advocaat-generaal het college had geadviseerd het vonnis van het gerechtshof te vernietigen en adviezen van de advocaat-generaal worden vaak gevolgd. Concreet gaat het om de verkoop van een kabelnet in de gemeente Leusden. Het geschil is een uitvloeisel van de privatisering van netwerken: vroeger waren die in handen van (semi-)overheden die geen behoefte hadden aan verkoop ervan.

Op 1 september mengt een topambtenaar van het ministerie van Economische Zaken zich in de discussie. De directeur-generaal marktordening en energie van het ministerie van Economische Zaken Noé van Hulst neemt afscheid van het ministerie en bij deze gelegenheid spreekt hij zich uit over het privatiseringsbeleid. Volgens van Hulst is de stilstand rond privatisering een schijnoplossing. De ambtenaar van EZ meent dat de overheid de ‘bevriezing’ van privatisering van energienetten op korte termijn ongedaan moet maken. Gebeurt dit niet, dan komen volgens hem Nederlandse energiebedrijven als Nuon, Essent en Eneco op achterstand te staan ten opzichte van hun Europese concurrenten.

Eind november verschijnt een artikel in het Financieele Dagblad waaruit blijkt dat de privatisering van energienetten onder vuur ligt. De drie grootste partijen in de Tweede Kamer CDA, PvdA en VVD willen voorlopig niets weten van privatisering van de gas- en stroomnetten. De regering streeft dan vooralsnog naar privatisering van de netten per 1 januari 2005. De netwerken zijn op het moment van het artikel in handen van energiebedrijven als Nuon, Essent en Eneco. De aandeelhouders willen de bedrijven graag privatiseren. Vanuit de politiek bestaat nu echter regelrechte weerstand tegen het idee dat energienetwerken in handen komen van private partijen.

De PvdA en de linkse oppositie verzetten zich onomwonden tegen een mogelijke privatisering. De PvdA verwijst naar een onderzoeksrapport van het bureau Deloitte & Touche, waaruit zou blijken dat het in alle Europese landen vrijwel onmogelijk is voor toezichthouders om te controleren of bedrijven afgesproken investeringen in netwerken uitvoeren. Daarom moet volgens de PvdA de overheid de controle in eigen hand houden. Maar ook voor het CDA is 1 januari 2005 eigenlijk niet eens een optie. De VVD, van oudsher de grootste voorstander van privatisering, vindt het ook nog 'te vroeg' om over privaat eigendom van stroom- en gasnetten te praten.

Energiebedrijven
Op 1 juli, de laatste dag voor haar zomerreces, behandelt de Eerste Kamer een wijziging van de Overgangswet elektriciteitsproductiesector in verband met de vrijmaking van de energiemarkten. Tijdens het debat stelt de Kamer ook de privatisering van energiebedrijven aan de orde. De nieuwe minister van Economische Zaken in het kabinet CDA, VVD en D66 Brinkhorst wil daar dan nog niet teveel op vooruitlopen en wil zich eerst volledig concentreren op de vrijmaking van de energiemarkten, waarvan het laatste onderdeel - de kleinverbruikers - overigens wel al is uitgesteld tot 1 juli 2004. De minister zegt dat volledige privatisering tot 1 juli 2004 in ieder geval verboden is, en vrijwel uitgesloten tot 1 januari 2005. Ook zegt de minister dat privatisering, met het oog op de positie van de consument, niet mag leiden tot machtsposities op de markt, en verwijst hierbij naar een mogelijke fusie van de twee grootste energiebedrijven Nuon en Essent.

De minister vindt dat toezicht en handhaving door de Dienst Toezicht Energie (DTe) en bescherming van consumenten voor de vrijmaking van de markten op 1 juli 2004 goed geregeld moeten zijn. Dit moet geregeld worden in de Interventiewet die obstakels op de weg naar privatisering van energiebedrijven moet wegnemen. De Interventiewet wordt in het najaar van 2003 ingediend.

Op 15 oktober meldt minister Brinkhorst van Economische Zaken, mede namens minister Zalm van Financiën, in een brief aan de Tweede Kamer dat de opsplitsing van Gasunie in een zelfstandig transportbedrijf en twee handelsbedrijven van Shell en Esso (ExxonMobil) op dit moment niet mogelijk is. De onderhandelingen over de herstructurering van het Gasgebouw zijn opnieuw op niets uitgelopen. Voorlopig vindt er dus geen opsplitsing en privatisering van Gasunie plaats.

Het doel van de overheid, voor 50% eigenaar van Gasunie, was om ten eerste de transportactiviteiten en het netbeheer van Gasunie te verzelfstandigen. Dit zou dan een volledig staatsbedrijf moeten worden. De tweede stap in de opdeling was de splitsing van het handelsbedrijf. Daaruit zouden twee handelsbedrijven moeten ontstaan die naar de twee andere eigenaren Shell (25%) en ExxonMobil (25%) zouden gaan. De minister schrijft dat Shell en Esso uiteindelijk niet bereid bleken om hun aandeel in het transportbedrijf aan de staat over te dragen. Als reden noemt de minister ‘het gebrek aan zekerheid over de ontwikkeling van prijzen en voorwaarden in Europa en Nederland op de nu nog volop in transitiefase verkerende energiemarkten, en de effecten hiervan op de financiële neutraliteit’. Met andere woorden: Shell en Esso kunnen niet inschatten hoe groot de waarde is van de aandelen van het handelsbedrijf dat zij van de Nederlandse Staat krijgen, in ruil voor de aandelen van het transportbedrijf. De partijen zullen gesprekken over herstructurering van het Gasgebouw op een later tijdstip kunnen hervatten, maar zeker niet op korte termijn, zo staat in de brief. De huidige samenwerking blijft daardoor vooralsnog gehandhaafd. Het mislukken van de besprekingen betekent ook dat de juridische verzelfstandiging van het transportbedrijf, Gastransport Services (GTS) per 1 januari 2004 niet doorgaat.

Wel zal Gasunie ervoor zorgen dat, in lijn met wat de Europese Unie eist, GTS tot een onafhankelijk transportbedrijf wordt omgebouwd en dat dit in de wet zal worden vastgelegd. De minister schrijft dat wetgeving hiervoor in voorbereiding is en dat hij binnenkort een voorstel van wet zal aanbieden. Verder wil de minister de wet aanpassen op punten waar dit nodig is om publieke belangen en een goed functionerende marktwerking te verankeren. Ook het kleine velden beleid, dat al opgenomen is in de huidige Gaswet, zal in de gewijzigde Gaswet volledig gehandhaafd blijven. Er komt tevens regelgeving met betrekking tot taken op het vlak van de leveringszekerheid.

De eigendomsverhouding van de Staat, Shell en ExxonMobil verandert dus voorlopig niet, noch de zeggenschap over het Groningenveld met de daarin aanwezige gasvoorraden en capaciteit. Tenslotte blijft ook binnen die samenwerking van partijen de bevoegdheid van de minister van Economische Zaken onveranderd over bijvoorbeeld de prijs van Groningengas en over de voorwaarden voor het kleine velden beleid. De huidige rol van Gasunie in het kader van de uitvoering van het kleine veldenbeleid wordt voortgezet.



Terug naar thema Overheid en energiebeleid 2003