Klimaatbeleid |
Berichten uit 2003 |
Nederland moet volgens het Kyoto-protocol de uitstoot van broeikasgassen in de periode 2008-2012 met 6% verminderen ten opzichte van 1990. De helft van deze verplichting gebeurt in eigen land, de andere helft kan ook in het buitenland. Naast samenwerkingsprojecten met ontwikkelingslanden (Clean Development Mechanism) zijn er ook samenwerkingsprojecten met andere industrielanden (Joint Implementation).
Clean Development Mechanism
Het CDM heeft een drieledig doel. Naast het
stimuleren van duurzame energie en schone technologieën in ontwikkelingslanden
draagt het bij tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Ook
biedt CDM de mogelijkheid industrielanden te helpen om een deel van hun
reductieverplichtingen kosteneffectief in het buitenland te realiseren. In 2003
is een aantal initiatieven in dit kader ontwikkeld. Investeerders in duurzame
energie, energiebesparing of schone technologie kunnen hiervoor projectvoorstellen
indienen. De projectvoorstellen kan men indienen bij de door VROM
gecontracteerde intermediairs: de Wereldbank, International Finance Corporation
(IFC), de regionale ontwikkelingsbank van de Andes (CAF) en sinds kort ook de
Rabobank.
Het ministerie van VROM tekent op 29 januari een samenwerkingsovereenkomst met Nicaragua om de uitstoot van broeikasgassen aan te pakken. De landen spreken af dat Nederland maximaal 5 miljoen ton CO2 reducties in Nicaragua kan kopen die worden uitgespaard met duurzame energieprojecten. Nederland mag deze uitgespaarde tonnen CO2 meetellen bij de eigen reductieverplichting. Nicaragua is het zevende land waarmee VROM een contract afsluit. Eerder zijn er soortgelijke overeenkomsten gesloten met Panama, Colombia, Costa Rica, Guatemala, El Salvador en Uruguay.
Staatssecretaris van Geel keurt op 13 maart 18 klimaatprojecten in ontwikkelingslanden goed met als doel ruim 16 Mton CO2 te reduceren. Deze uitgespaarde tonnen CO2 mag Nederland opkopen en meetellen bij de eigen reductieverplichting. Het gaat hier om projecten op het gebied van duurzame energie en schone technologieën in India, Panama, Brazilië, Jamaica, Bolivia, El Salvador, China, Indonesië en Costa Rica. Het belangrijkste criterium bij de selectie was dat projecten moeten leiden tot een geloofwaardige vermindering van CO2-emissies. Met de keuze van de 18 projecten wordt de selectiefase van de openbare aanbestedingsprocedure van de CERUPT (Certified Emission Reduction Unit Procurement) tender van Senter afgerond. Deze projecten worden ter goedkeuring voordragen aan het CDM Executive Board van het klimaatsecretariaat van de Verenigde Naties. Daarna kunnen de emissiereducties uit deze projecten worden verhandeld. Deze laatste fase zal nog 6-9 maanden in beslag nemen.
Gemeentelijk klimaatbeleid
Eind maart schrijft staatssecretaris Van Geel
een brief aan de colleges van de gedeputeerde staten van de provincies en het
Interprovinciaal Overleg (IPO). Daarin roept Van Geel provincies op om een
actief klimaatbeleid te voeren. Provincies kunnen daarvoor gebruik maken van de
subsidieregeling BANS klimaatconvenant. De staatssecretaris roept de provincies
op om in het komend provinciaal beleid prioriteit te geven aan klimaatbeleid.
Provincies en gemeenten zijn essentieel om de nationale klimaatdoelstellingen
te realiseren. Vooral op lokaal niveau moeten voornemens worden omgezet in
concrete projecten, zoals duurzame energieprojecten en energiebesparing in de
gebouwde omgeving. Vorig jaar hebben het Rijk, IPO en VNG een convenant ondertekend.
Daarin is afgesproken dat provincies en gemeenten zich meer gaan inzetten voor
de reductie van de emissie van broeikasgassen.
Het ministerie van VROM heeft voor het lokaal klimaatbeleid 37 miljoen euro beschikbaar gesteld. Gemeenten, stadsdelen en provincies kunnen tot 1 augustus 2004 deze subsidie aanvragen. Provincies kunnen deze subsidie aanvragen, wanneer de prestatiekaart is vastgesteld. Naar verwachting wordt deze kaart in mei in de Staatscourant gepubliceerd. In deze kaart wordt aangegeven welke activiteiten van de provincies in aanmerking komen voor subsidie.
Rapport Algemene Rekenkamer
In april verschijnt het jaarverslag van de
Algemene Rekenkamer. Daaruit blijkt dat de kans klein is dat Nederland de in
het Kyoto-protocol afgesproken daling van de CO2-uitstoot zal halen.
Belangrijkste oorzaak is de gebrekkige samenhang in het Nederlandse beleid.
Voor de verschillende sectoren, zoals industrie, landbouw en verkeer, zijn wel
maatregelen bedacht, maar deze zijn niet op elkaar afgestemd. Door onder meer
het afblazen van de kilometerheffing en de aanleg van extra wegen verwacht de
Rekenkamer eerder een stijging dan een daling van de uitstoot voor de
vervoerssector. De minister verwacht echter niet dat het zo'n vaart zal lopen
en wijst op andere maatregelen die hier tegenover staan, zoals het langer
openhouden van de kerncentrale in Borssele.
In april stelt het RIVM dat de voorsprong van Nederland op milieugebied ten opzichte van andere Europese landen afneemt. Dit komt omdat Nederland milieuproblemen, zoals klimaatverandering, liever in Europees verband wil oplossen. Meer dan 80% van het milieu- en natuurbeleid in Nederland wordt door Brussel voorgeschreven. Wel constateert het RIVM dat Nederland nog altijd meer milieumaatregelen neemt dan gemiddeld in de Europese Unie. Dit compenseert veel van de milieudruk die in ons land ontstaat door de hoge dichtheid van bevolking, industrie, vee en transport. Europese milieuregelgeving trekt achterblijvers zoals de Zuid-Europese landen en het Verenigd Koninkrijk in het ‘peloton’, terwijl Nederland zich laat ‘terugzakken’ en zich richt op het voldoen aan de Europese milieuverplichtingen. De Nederlandse regering wil inzetten op een krachtig internationaal milieubeleid. Dit kan milieukosten besparen omdat Europese maatregelen vaak goedkoper zijn dan nationale maatregelen.
Nederlandse maatregelen om het broeikasgaseffect terug te dringen worden vooral uit overheidssubsidies betaald. Vandaar dat het RIVM concludeert dat bij klimaatbeleid het principe van de vervuiler betaalt nog niet echt van toepassing is. Andere milieumaatregelen komen veel meer voor rekening van burgers en bedrijven. Het klimaatbeleid is de grootste uitgavenpost op de milieubegroting van het Rijk. Klimaatgeld wordt in 2003 wel efficiënter ingezet. Verlaging van subsidies op energiebesparing en groene stroom gaan een besparing van 500 miljoen euro per jaar opleveren. Deze bezuiniging heeft nauwelijks negatieve effecten voor het milieu. Europese afspraken, zoals de recent overeengekomen CO2-emissiehandel voor bedrijven, verlagen de milieukosten en maken het eenvoudiger deze door te berekenen aan de vervuiler.
In juli stelt staatssecretaris Van Geel van VROM een vernieuwd milieubeleid voor dat door de ministerraad wordt aanvaard. Veel milieuproblemen zijn grensoverschrijdend en kunnen niet alleen op nationaal niveau worden opgelost. Zo wil Nederland de CO2-uitstoot van het verkeer en het zwavelgehalte in scheepvaartbrandstoffen in Europees verband aanpakken. Nederland wil zich in Europees verband inzetten voor het verlagen van het zwavelgehalte in brandstoffen voor de scheepvaart en binnenvaart omdat dit gehalte in vergelijking met het wegverkeer nog steeds zeer hoog is. Het aanscherpen van de emissie-eisen voor scheepsbrandstoffen is effectief omdat hier tegen relatief lage kosten nog veel milieuwinst valt te halen. Ook wil Nederland de uitstoot van NOx voor vrachtauto's en personenauto's terugdringen. Dit geldt met name voor dieselmotoren, omdat die meer NOx en fijn stof uitstoten dan de benzinemotoren. Verder wil Nederland de CO2 uitstoot van het verkeer terugdringen door de convenanten die de Europese Unie heeft afgesloten met de auto-industrie aan te scherpen en uit te breiden tot bestelauto's. De specifieke omstandigheden in Nederland, zoals hoge bevolkingsdruk en geografische ligging, maken een ambitieus milieubeleid noodzakelijk. Nederland heeft in de Europese Unie de hoogste dichtheid van bevolking, industrie, vee en transport. Milieuproblemen die samenhangen met intensieve landbouw, vervoer, industrialisatie en benedenstroomse vervuiling manifesteren zich hier vaak eerder en sterker.