MEP |
Berichten uit 2003 |
Eind januari overweegt de Eerste Kamer een controversieel-verklaring van de MEP-regeling (Wet Milieukwaliteit ElektriciteitsProductie). Het kabinet Balkenende I is op dat moment demissionair, en dan neemt de Eerste Kamer omstreden wetten bij voorkeur niet in behandeling. Een vergadering van de Eerste Kamer en de Commissie Economische Zaken van de Eerste Kamer resulteert niet in de door staatssecretaris Wijn gehoopte behandeling van de wet op de MEP. De demissionaire staatssecretaris Joop Wijn van Economische Zaken vraagt in een brief aan de Eerste Kamer nadrukkelijk om de MEP niet controversieel te verklaren. Eerder nam de Tweede Kamer de MEP al aan. De MEP-regeling bepaalt hoeveel subsidie een producent van groene stroom krijgt voor de elektriciteit die hij aan het net levert. Volgens Wijn zou deze actie bij investeerders in groene-stroomproductie nog meer onzekerheid zaaien, want als de MEP niet in werking treedt, weten de investeerders niet op welke vergoedingen zij de toekomst kan worden gerekend. In ieder geval blijft het systeem van lagere fiscale vrijstellingen, zoals dat van kracht is als tussenregeling sinds 1 januari 2003, langer van kracht.
Op 19 februari bevestigt het ministerie van EZ dat de MEP-regeling vertraging oploopt en dat de oorspronkelijke planning niet gehaald wordt. De regeling zal op zijn vroegst in juni of juli van 2003 worden ingevoerd. Eigenlijk had deze regeling op 1 april ingevoerd moeten worden. Met name de vertraagde behandeling in de Eerste Kamer speelt de MEP-regeling parten. De MEP moet niet alleen worden goedgekeurd door de Eerste Kamer, maar ook worden voorgelegd aan de Europese Commissie. Tot aan de invoering geldt een fiscale interim-regeling. Met name elektriciteit opgewekt met behulp van biomassa komt in die regeling minder voordelig uit. Energiebedrijf Essent is furieus. Dit energiebedrijf wekt veel groene stroom op met behulp van biomassa. Het bedrijf zal de inzet van biomassa in de centrales stopzetten omdat de opwekking onrendabel is. Essent noemt uitstel van de MEP ‘een aanfluiting van de bovenste plank’. Sinds 1 januari 2003 staan hun installaties voor schone biomassa stil, behalve die in Cuijk omdat daar contracten met de leveranciers gewoon doorlopen. Essent ziet zich door het uitstel gedwongen groene stroom uit het buitenland te importeren. Het uitstel werkt wel in het voordeel van elektriciteitsbedrijven die relatief veel groene stroom importeren, zoals Nuon. Voor de consument heeft de latere ingangsdatum geen directe gevolgen.
EZ roept in maart marktpartijen op te reageren op belangrijke uitvoeringsregels van het wetsvoorstel MEP. Het wetsvoorstel is dan inmiddels door de Europese Commissie goedgekeurd en in behandeling bij de Eerste Kamer. Discussie over de inhoud van het wetsvoorstel is niet meer mogelijk.
De Eerste Kamer gaat op 3 juni akkoord met de nieuwe MEP-subsidieregeling. Met ingang van 1 juli wordt nieuwe subsidieregeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie van kracht. Voor 2003 gelden (gedurende maximaal tien jaar) de volgende subsidiebedragen:
TenneT, de landelijke beheerder van het elektriciteitsnet, wordt door de overheid aangewezen om de MEP-regeling uit te voeren. Ze heeft hiervoor het dochterbedrijf EnerQ opgericht. Deze onderneming gaat, tegelijk met de MEP-regeling, op 1 juli van start. Tevens heeft TenneT het dochterbedrijf CertiQ opgericht dat zich zal bezighouden met het verstrekken van groencertificaten. Producenten van elektriciteit die wordt opgewekt uit duurzame bronnen zoals wind, biomassa, zon of waterkracht en klimaatneutrale installaties en installaties voor warmtekrachtkoppeling vallen onder deze regeling. Producenten die deze opgewekte elektriciteit aan het net leveren of rechtstreeks aan een installatie leveren, kunnen subsidie aanvragen bij EnerQ. De MEP-regeling heeft tevens consequenties voor TenneT’s dochteronderneming Groencertificatenbeheer bv. Deze organisatie krijgt een grotere klantenkring omdat er ook ruim 2000 WKK-producenten bijkomen. Vandaar dat TenneT deze per 1 juli de nieuwe naam CertiQ geeft. Eén van de voorwaarden voor het verkrijgen van de MEP-subsidie van EnerQ is dat een producent zich registreert bij CertiQ.
Op 4 juli wordt een onderzoek van Energieonderzoek Centrum Nederland over de MEP gepubliceerd. In verband met de nieuwe MEP-regeling onderzocht ECN de mogelijk ongewenste effecten van de huidige vergoedingswijze voor windenergie op land. Zo bekeken de onderzoekers diverse alternatieve systemen. Zij concluderen vooralsnog dat het te vroeg is om de huidige vollasturensystematiek te wijzigen. De subsidie van 4,9 eurocent per kilowattuur geldt ongeacht de locatie. Aan de kust waait het echter gemiddeld harder dan in het binnenland, waardoor de windturbines aan de kust een groter beroep zouden doen op de MEP-vergoeding. Om overstimulering van windrijke locaties te voorkomen, liet de overheid vastleggen dat een exploitant van windturbines tot maximaal 18.000 vollasturen subsidie krijgt.
Vollasturen is een maat voor de energieproductie van een turbine in kilowatturen gedeeld door het nominaal (elektrisch) vermogen in kilowatt. De begrenzing bevat echter een prikkel om het nominaal vermogen zo hoog mogelijk op te voeren. Bij een lagere verhouding tussen productie en nominaal vermogen duurt het immers langer voordat de turbine het maximum van 18.000 vollasturen bereikt. Hierdoor kan de producent langer en in totaal meer MEP-vergoeding ontvangen. De studie bevestigt het vermoeden dat de vollasturensystematiek een financiële prikkel geeft om hogere vermogens te plaatsen in verhouding tot het windregime op de locatie. Dit kan tot extra MEP-uitgaven leiden die ongewenst zijn. Maar de prikkel wordt mogelijk weer afgezwakt, doordat de efficiëntie van het gebruik van het elektriciteitsnet achteruit gaat en de onbalanskosten naar verwachting toenemen. De omvang van de risico's laat zich echter moeilijk inschatten De onderzoekers bevelen aan om de situatie voorlopig goed te blijven volgen, om meer zekerheid te krijgen over het optreden van eventuele ongewenste effecten. ECN bekeek ook alternatieve stimuleringsregelingen, zowel bestaande regelingen in omringende landen, als een mogelijk nieuw te ontwikkelen regeling. Maar daarin worden geen aangrijpingspunten gezien voor een verbetering van de regeling wat betreft (kosten)effectiviteit.
Begin oktober adviseren ECN en KEMA de minister van Economische Zaken om enkele subsidietarieven voor opwekking van groene elektriciteit voor 2004 en 2005 aan te passen. In het voorstel krijgen windenergie op land en zuivere biomassa in elektriciteitscentrales een lager tarief. Daarnaast vervalt de vergoeding voor diermeel in kolencentrales. In een rapport adviseert ECN om in de huidige regeling drie MEP-tarieven aan te passen voor 2004 en 2005. De vergoeding voor windenergie op land kan vanaf 2005 licht dalen van 4,9 naar 4,8 eurocent per kilowattuur. De investeringskosten voor windmolens op land zijn volgens de onderzoekers gedaald. De tarieven voor de grootschalige inzet van zuivere biomassa in elektriciteitscentrales kunnen vanaf 2004 worden verlaagd van 4,8 tot 4,1 eurocent per kilowattuur. Tevens wordt voorgesteld om meestoken van diermeel in centrales niet meer in aanmerking te laten komen voor een MEP-vergoeding. Voor de overige opties adviseert ECN om de huidige tarieven te handhaven op het niveau van 2003.
Begin oktober vraagt de PvdA aan de minister van Economische Zaken Brinkhorst om de MEP-regeling aan te passen ten gunste van eigenaren van kleinere PV-systemen en windmolens. De minister wil dat niet, zo blijkt uit zijn antwoorden op kamervragen van de PvdA. De effectiviteit van de MEP-subsidie is laag voor kleine duurzame energie-installaties met een relatief lage energieopbrengst per eenheid geïnstalleerd vermogen. Dat komt doordat de vaste kosten zoals bemetering en certificering moeten worden terugverdiend. Volgens de minister richt de MEP-regeling zich dan ook op grotere installaties voor de opwekking van elektriciteit uit duurzame energie en warmtekracht. Om kleine systemen, vaak in particulier bezit, via de MEP te stimuleren zou MEP-subsidie per kilowattuur veel hoger moeten zijn dan het huidige maximum van 6,8 euroct per kilowattuur. Bovendien is de duurzame energieopbrengst per geïnstalleerd vermogen relatief laag. Volgens de minister is dat geen kosteneffectieve oplossing.
Eind oktober neemt minister Brinkhorst het eindadvies van ECN over de subsidies voor het opwekken van duurzame elektriciteit voor 2004 en 2005 over. De subsidies worden in één jaar drie keer opnieuw vastgesteld. De bedragen op grond van de MEP-regeling gaan op 1 januari 2004, op 1 juli 2004 en op 1 januari 2005 telkens substantieel omhoog. De totale stimulering voor alle nieuwe projecten in 2004 blijft gelijk: de Regulerende Energiebelasting (REB) vrijstelling wordt gecompenseerd in de MEP. Net als bij de subsidies voor 2003 is de basis van de subsidiehoogte een onderzoek door ECN en KEMA naar de onrendabele toppen van de verschillende manieren om duurzame elektriciteit op te wekken. Het onderzoeksrapport is door ECN aan een aantal marktpartijen voorgelegd, waarna het commentaar is verwerkt.
De aanpassingen van de subsidiebedragen per 1 januari 2004, 1 juli 2004 en 1 januari 2005 vinden plaats op basis van de indexering en de gefaseerde afschaffing van de REB-vrijstelling voor duurzame elektriciteit. Daarnaast wordt ten opzichte van de tarieven van 2003 het subsidietarief voor grootschalige verbranding van zuivere biomassa met 0,7 eurocent per kilowattuur verlaagd en voor diermeel per 1 januari 2004 op nul gesteld. Tenslotte wordt de subsidie voor wind op land per 1 januari 2005 met 0,1 eurocent per kilowattuur verlaagd. Dit leidt tot de volgende subsidietarieven (in eurocenten per kilowattuur):
Begin november worden de eerste certificaten voor elektriciteit uit WKK-installaties uitgegeven door CertiQ. De ruim 3.000 MWh aan elektriciteit is geproduceerd in de maanden juli tot en met oktober 2003 door een aantal WKK-installaties kleiner dan 10 MW. Aan de hand van de WKK-certificaten wordt duidelijk hoeveel elektriciteit de WKK-installaties geproduceerd hebben. Op basis daarvan verleent EnerQ de MEP-subsidie. Een WKK-installatie produceert elektriciteit op een milieubewuste wijze doordat naast de geproduceerde elektriciteit ook de geproduceerde warmte nuttig wordt toegepast. Met de aldus geproduceerde elektriciteit wordt een zekere hoeveelheid CO2-uitstoot vermeden. De kostprijs van WKK-elektriciteit is meestal hoger dan de kostprijs van ‘grijze’ elektriciteit.