Uitgiftestelsel windenergie op zee |
Berichten uit 2003 |
In een brief aan de Tweede Kamer leggen minister Brinkhorst van Economische Zaken, minister Veerman van LNV, staatssecretaris Van Geel van VROM en staatssecretaris Schultz van Haegen van Verkeer en Waterstaat in juli de hoofdlijnen vast van een uitgiftestelsel voor windparken op de Noordzee. Bij de invulling van het uitgiftestelsel is gebruik gemaakt van suggesties vanuit de marktsector. Daarbij wordt, conform de in de Tweede Kamer aanvaarde motie Vendrik, het hanteren van voorkeursgebieden losgelaten maar kunnen plantoestemmingen worden aangevraagd voor alle gebieden met uitzondering van een aantal uitsluitingsgebieden (zoals scheepvaartroutes).
Een plantoestemming of concessie geeft een marktpartij voor een bepaald gebied het exclusieve recht om een vergunning op basis van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken (Wbr) aan te vragen. De Wbr wordt aangepast om als wettelijke basis voor een concessiestelsel te kunnen dienen. Een initiatiefnemer, die aan een aantal voorwaarden moet voldoen, mag een plantoestemming voor maximaal 100 km2 aanvragen. Ook zal een borgsom worden gevraagd.
Voor een gebied waarvoor een plantoestemming is verleend, geldt een reservering voor de inrichting van windturbineparken. Hiermee strijdige functies worden zo nodig geweerd. De regeling van plantoestemming die het kabinet voorbereidt, moet zo min mogelijk proceduretijd toevoegen aan de vergunningverlening. Het streven is om het uitgiftestelsel in 2004 in werking te laten treden. Om geen tijd te verliezen, zal een interim-beleid worden gevoerd in de vorm van een uitgifteronde in het najaar op basis van de uitgangspunten in de brief aan de Tweede Kamer. Dit interim-beleid is echter uiteindelijk niet tot stand gekomen.
Minister Brinkhorst is van oordeel dat met de invoering van het uitgiftestelsel en het interim-beleid een belangrijke stap wordt gezet op weg naar de realisering van de doelstelling van 6000 Megawatt windenergie offshore in het jaar 2020.