Wind op zee |
Berichten uit 2003 |
Windenergie op zee kan uit de startblokken. Investeerders kunnen in het najaar van 2003 aanvragen indienen voor bouwlocaties. Het kabinet besluit in juli de uitgifte van vergunningen zo eenvoudig mogelijk te houden, met als hoofddoel de realisatie van zesduizend megawatt aan windenergievermogen op de Noordzee in 2020.
Volgens het ministerie van Economische Zaken (EZ) loopt Nederland achter met windenergie op zee. België, Engeland, Duitsland en Denemarken, waar vorig jaar het eerste grote offshore windpark is gebouwd, zijn verder. EZ lijkt de achterstand te willen inlopen en komt in het najaar van 2003 met tijdelijke en in 2004 met definitieve regels voor de uitgifte van vergunningen voor windparken op de Noordzee. In een brief aan de Tweede Kamer worden enkele tipjes van de sluier opgelicht. De kustzone tot twaalf mijl blijft gevrijwaard van windmolenparken, evenals scheepvaartroutes, gebieden waar defensie actief is en locaties voor de winning van beton- en metselzand. Ook gebieden met belangrijke natuurwaarden worden uitgezonderd, al moeten die nog worden vastgesteld. Voor visserij, olie- en gaswinning wordt die uitzondering niet gemaakt.
Bij de landelijke windenergie-organisatie De Windkoepel leeft de angst dat investeerders massaal inzetten op de beste locaties, relatief dicht onder de kust en bij zeehavens. De Windkoepel pleit er daarom voor zeven in 2001 ingediende aanvragen eerst af te wikkelen om ervaring op te doen. Tot nu toe bestaat er vooral interesse voor de bouw van windmolenparken voor de Hollandse kust en niet voor de Zeeuwse kust. De Voordelta is als bouwlocatie uitgesloten en er liggen verder uit de Zeeuwse kust vrij veel scheepvaartroutes, onder meer naar Rotterdam.