Aardbevingen en bodemdaling door gaswinning |
Berichten uit 2003 |
Op 24 oktober wordt Groningen getroffen door een aardbeving. De beving is veroorzaakt door gaswinning in het gebied Loppersum en heeft een kracht van 3,0 op de schaal van Richter. Seismologen van het KNMI spreken van een ‘vrij zware aardbeving’ voor Nederlandse begrippen. Het KNMI registreert de trilling om 03.53 uur. Het epicentrum ligt bij het plaatsje Hoeksmeer (gemeente Loppersum). De politie heeft geen meldingen gekregen van schade. Een nog krachtiger ‘aardgasbeving’ dan bij Loppersum deed zich in 1994 voor bij Alkmaar met een kracht van 3,5. Bevingen boven gasvelden worden toegeschreven aan winning van aardgas.
Op 10 november wordt de provincie Groningen om 01.22 uur opnieuw getroffen door een aardbeving, met een kracht van 3,0 op de schaal van Richter. Deze beving is even zwaar als de beving bij Loppersum. Het epicentrum van de beving ligt tussen Stedum en Westeremden, een paar kilometer ten westen van het plaatsje Hoeksmeer, waar het epicentrum van de vorige beving lag. De politie in Groningen en het KNMI krijgen in totaal ongeveer 25 meldingen binnen van mensen die de aardbeving goed voelen. De meldingen komen onder meer uit Stedum, Loppersum en de stad Groningen.
Het KNMI verwacht in de toekomst nog krachtiger bevingen: volgens berekeningen zou door aardgaswinning in Nederland een beving mogelijk zijn met een kracht van 3,9. In Roermond vond in 1992 een ‘gewone’ aardbeving plaats van 5,7 op de schaal van Richter.
De eerste aardschokken in Noord-Nederland zijn geregistreerd in december 1986 nabij Assen. Aanvankelijk werden deze schokjes niet toegeschreven aan de winning van aardgas. In 1993 stelden het ministerie van Economische Zaken, het KNMI en de Rijksgeologische dienst vast dat aardgaswinning inderdaad de schokken veroorzaakt. Sindsdien registreerde men meer dan 300 van deze niet-natuurlijke aardbevingen.
Het KNMI heeft bij alle elf boorlocaties in Nederland instrumenten staan om de bevingen te meten. Het aardgas dat gewonnen wordt, bevindt zich in een laag van poreuze zandsteen op drie kilometer diepte. Door de winning van het gas wordt de gasdruk ter plaatse verlaagd en ontstaan er drukveranderingen in het gesteente. Die veranderingen kunnen zich heel geleidelijk doorgeven aan de omgeving, zelfs volkomen elastisch. Dat wordt door bewoners ervaren als een geleidelijke bodemdaling. Maar drukveranderingen kunnen ook schoksgewijs tot ontlading komen. Dat wordt ervaren als een beving.
Op 29 oktober uit het Staatstoezicht op de Mijnen ernstige kritiek op de manier waarop de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) de bodemdaling berekent die ontstaat door gaswinning in de provincie Groningen. De bodemdaling blijkt in werkelijkheid minder groot dan berekend. De afwijking bedraagt over de afgelopen vijf jaar twee tot vier centimeter, aldus de NAM. Sinds de jaren zestig is door gaswinning in Groningen sprake van een gestage bodemdaling. Dat heeft grote gevolgen voor onder meer de waterhuishouding omdat er extra maatregelen genomen moeten worden om water uit de gedaalde bodem in Groningen weg te pompen. Voor deze maatregelen zijn honderden miljoenen euro’s nodig. In 1983 kwamen de NAM en de provincie daarvoor een schadevergoedingsregeling overeen. Toen is ook afgesproken dat de NAM de bodemdaling zeer nauwkeurig zou registreren.
De provincie vond in juni 2002 een verschil tussen de zelf geconstateerde bodemdaling en de daling die de NAM berekende. Groningen schakelde daarop de Inspecteur-Generaal van het Staatstoezicht op de Mijnen in. Hij stelde vast dat de NAM te weinig rekening houdt met de natuurlijke inklinking van de bodem. Volgens een woordvoerder van de provincie Groningen heeft het Staatstoezicht met de NAM afgesproken om een andere methode te gaan gebruiken. De NAM presenteert in 2005 een nieuwe kaart met daarin de nieuwe berekeningen.