Veiligheid: gas- en elektraleidingen en -installaties

Berichten uit
2004

Er zijn in januari afspraken gemaakt tussen het ministerie van VROM en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) over noodzaak om gas- en elektrainstallaties periodiek te laten controleren. VROM-minister Dekker heeft hierover een brief naar de Tweede Kamer gestuurd. Momenteel controleert geen enkele instantie gas en elektra. In het verleden deden de gemeentelijke energiebedrijven dat, maar na verzelfstandiging van die bedrijven bleef de toezichthoudende taak bij de gemeenten. Inspecties werden volgens de VNG niet uitgevoerd omdat gemeenten daar de kennis niet voor in huis hadden. Volgens de nu voorgestelde afspraken moeten alle eigenaren van woningen ervoor zorgen dat zij beschikken over een veilige gas- en elektra-installatie. Voor de meest risicovolle woonpanden komt er in eerste instantie een verplichte keuring. Verder gaan partijen een stelsel van gecertificeerde keuringen nader uitwerken. Gemeenten zijn bereid om onder strikte voorwaarden het toezicht op deze keuringen als nieuwe taak op zich te nemen. De kosten van de inspectie zijn, net als bij de apk-keuring voor auto’s, voor de woningbezitters. In mei van dit jaar begint in 3 of 4 gemeenten op basis van vrijwilligheid een proef met de keuringen. Als het systeem werkt, wordt het in 2005 landelijk ingevoerd.

Bij het overleg van de Kamer met VROM-minister Dekker in april over de verantwoordelijkheden rond het toezicht op woninginstallaties blijkt dat de Tweede Kamer weinig voelt voor een verplichte keuring. PvdA, VVD en CDA vrezen dat zo’n keuring te veel administratieve rompslomp met zich meebrengt. De Kamer reageerde op de afspraken die de minister had gemaakt met de VNG over de toezicht op installaties. Onderdeel hiervan is de invoering van de verplichte keuring van de installaties, in eerste instantie voor risicovolle woningen, zoals oude of gestapelde woningen. De aanleiding voor de afspraken was de onduidelijkheid vorig jaar zomer over het toezicht op de veiligheid van de leidingen en installaties na een aantal gasexplosies in woningen. Die hadden, naar later bleek, overigens niets te maken met ondeugdelijke installaties. Minister Dekker verwerpt echter het verwijt dat de verplichte keuring leidt tot bureaucratie. De achterliggende gedachte is dat de verantwoordelijkheid van de eigenaar met de keuring wordt geactiveerd. De afspraken met de VNG moeten nog verder worden uitgewerkt. Uneto-VNI is overigens al bezig met het opzetten van een apk-systeem, waar woningeigenaren vrijwillig voor kunnen kiezen.

Uit een in juni gepubliceerd rapport van de Raad voor de Transportveiligheid over een gaslek in Groningen op 27 maart 2004 blijkt dat de geldende NEN-normen en de eigen brancherichtlijnen niet altijd worden gerespecteerd. Bij gasleveranciers en gasnetbeheerders is sprake van een structureel veiligheidstekort. Ook ontbreekt publiek toezicht omdat het ministerie van EZ en de gemeenten het niet eens zijn wie verantwoordelijk is voor toezicht op de gasleidingen in de bodem. Volgens de Raad moeten gasnetbeheerders aantonen dat zelfregulering werkt. De netwerkbeheerders moeten de komende tijd aantonen dat zij hun taken veilig kunnen uitvoeren. Een ongeluk in Groningen is het zevende incident met buisleidingen dat de Raad heeft onderzocht.

Uit verschillende regionale onderzoeken blijkt dat de helft van de LPG-stations in Nederland niet voldoet aan de veiligheidsvoorschriften. Zo schort het aan controles op de installaties en aan brandpreventie. Uit een in juli verschenen onderzoek van gemeenten en politie in Friesland wordt duidelijk dat ruim de helft van de pomphouders het niet zo nauw neemt met de veiligheidsvoorschriften. Provincies voeren soortgelijke onderzoeken uit nadat het Rijk de veiligheidsvoorschriften in 2002 een hoge handhavingprioriteit had gegeven. Pomphouders verzuimen nogal eens het reservoir en de leidingen van de gaspompen te controleren, zo blijkt. Gemeenten moeten over deze controles worden geďnformeerd, maar dat gebeurt vaak niet.

In een brandbrief die de commissaris van de koningin voor Zuid-Holland in november heeft gestuurd aan minister Peijs van Verkeer en Waterstaat wordt de onveiligheid van pijpleidingen aan de kaak gesteld. De registratie van leidingen en de regelgeving voor externe veiligheid en milieukwaliteit laat ernstige tekortkomingen zien. De kans op een groot ongeval met buisleidingen wordt in Nederland weliswaar niet groot geacht, maar dat geldt volgens het provinciebestuur alleen bij een gedegen registratie van het leidingennet. Omdat de gevolgen van een ongeluk met een pijpleiding verstrekkend kunnen zijn, hebben externe deskundigen op initiatief van Zuid-Holland een bestuurlijk-juridisch onderzoek uitgevoerd.

EZ-minister Brinkhorst heeft in november een brief gestuurd aan de Tweede Kamer waarin hij aangeeft het aantal graafincidenten rond kabels en leidingen in Nederland terug te willen dringen door grondroerders te verplichten voorafgaand aan hun graafwerkzaamheden deze te melden bij een digitaal loket (Grondroerdersregeling). De kabel- en leidingbeheerder wordt verplicht om de grondroerder tijdig te voorzien van betrouwbare en bruikbare informatie over de ligging van zijn kabels of leidingen. Beiden zijn verplicht zich aan te sluiten bij het informatie-uitwisselingsysteem waarvan het loket onderdeel uitmaakt. Op dit moment is er de mogelijkheid om graafwerkzaamheden vrijwillig te melden bij het KLIC (Kabels en Leidingen Informatie Centrum). In de praktijk blijkt echter dat dit lang niet altijd gebeurt. Marktpartijen, gemeenten en het KLIC ondersteunen de gedachte van verplichte informatieuitwisseling. Er vanuit gaande dat de Tweede Kamer akkoord gaat met het voorstel van Brinkhorst zal nog voor het einde van dit jaar begonnen worden met het wetgevingstraject van de Grondroerdersregeling. Parallel aan de brief over de grondroerdersregeling van minister Brinkhorst zal het ministerie van VROM een brief aan de Tweede Kamer sturen over een actieprogramma om het ruimtegebruik onder de grond in ruimtelijke plannen op te nemen.



Terug naar thema Overheid en energiebeleid 2004